Psalm berijming van dhr. J. Adriaanse uit Grijpskerke

Hoe de berijming tot stand is gekomen is te lezen in het voorwoord.

Psalm 1
1. Gelukkig hij die niet zoekt naar het kwaad,
noch wandelt in der goddelozen raad;
wie niet wil staan waar zondaars God onteren,
ook daar niet zit, waar spotters samenzweren;
maar s Heeren wet zijn grote vreugde acht,
die overdenkt met eerbied dag en nacht.

2. Want wie dat doet, zal zijn zoals een boom,
die is geplant dicht bij een waterstroom,
die op zijn tijd met vruchten staat beladen,
geen blad verdort, geen droogte kan hem schaden.
Zo is die mens, hij leeft in overvloed,
zijn voorspoed blijkt in alles wat hij doet.

3. Zo is de mens niet die het kwaad bemint:
hij is als kaf, dat wegstuift voor de wind.
Hij houdt geen stand, wanneer het oordeel nadert,
en komt niet waar t rechtvaardig volk vergadert.
De Heer toch kent hun weg, hun levensbaan,
maar t heilloos pad der bozen zal vergaan.


Psalm 2
1. Waarom toch zijn de volken opgestaan?
Waarom wil heel de wereld samenspannen?
De koningen der aarde rukken aan;
wat drijft ze tot hun nutteloze plannen?
t Is om de Heer Zijn koningstroon tontrukken,
t is tegen Zijn Gezalfde Vorst gericht:
Wij scheuren boei en ketenen aan stukken,
zodat de macht in onze handen ligt!

2. Maar Hij is het die op Zijn hemeltroon,
hoog zetelt en beziet het samenspannen;
Hij lacht om al dat dwaze machtsvertoon,
de Heer spot men hen om al die boze plannen.
Dan klinkt Zijn stem, zodat verschrikt zij beven;
Hij toornt om hun gewetenloos geweld:
Ik immers heb Mijn Koning hoog verheven,
op Sions berg, zo heilig, aangesteld.

3. Wat eens de Heer besloot, draag Ik nu uit:
U bent Mijn Zoon, sprak Hij, door Mij verkoren,
ik heb U thans verwekt naar Mijn besluit:
vraag Mij: dan zal heel d aarde U behoren.
Dan geef Ik U tot in de verste streken
de volken, die Ik U als erfdeel laat.
Uw ijzren knots zal hen geheel verbreken,
als aardewerk, dat men in stukken slaat.

4. Gij koningen, doet wijs, bezint u wel
en luistert dan, gij heersers, wereldgroten.
Dient toch de Heer en beeft voor Zijn bevel,
verheugt u, want Hij zal u niet verstoten.
En kust de Zoon, voordat Hij op uw paden
u onverwacht in toorn ter aarde slaat.
Want weet hoe licht Zijn toorn zich kan ontladen.
Gelukkig wie Hem kent als toeverlaat!


Psalm 3
1. Hoe talrijk rukken aan
wie mij, o Heer weerstaan,
k zie velen mij benauwen.
Zij zeggen vol van spot:
Hij vindt geen heil bij God,
vergeefs is zijn vertrouwen.
Maar Heer, die U ontfermt,
mij als een schild beschermt:
U hebt mijn hoofd geheven.
Ik smeek de Heer nu luid;
Hij komt van Sion uit
aan mij Zijn antwoord geven.

2. Van s Heeren trouw bewust
sliep ik geheel gerust:
ik rustte zonder zorgen.
Want Hij was mij nabij;
steeds ondersteunt Hij mij;
zo wachtte mij de morgen.
Ik blijf vol goede moed,
zal, daar Hij mij behoedt,
tienduizenden niet vrezen;
staan zij, met bruut geweld,
rondom mij opgesteld,
ik zal niet angstig wezen.

3. Sta op, verlos mij Heer!
Mijn God, toon om Uw eer
dat Gij voor mij zult waken.
Ja, U hebt mij gered,
U sloeg, in fel verzet,
Mijn vijand op de kaken.
U brak zijn tanden stuk:
bevrijding van het juk
werd zo door mij verkregen.
De Heer hoort naar mijn stem,
de redding komt van Hem.
U schenkt Uw volk de zegen.


Psalm 4
1. Wil op mijn roepen antwoord geven,
o God van mijn gerechtigheid.
Hoor mij, want als mij angst doet beven,
maakt Gij mij ruimte om te leven;
toon dat Gij mij genadig zijt.
Gij mannen, hoe lang blijft gij vragen,
naar wat bedrog is, enkel schijn?
Hoe lang nog zal het uw behagen,
uw lust zijn, leugen na te jagen,
hoe lang mijn eer tot smaadheid zijn?

2. Weet toch; de Heer heeft zich verkoren
een Hem getrouwe gunstgenoot.
Roep ik tot Hem, Hij zal mij horen;
nooit sluit de Heer voor mij Zijn oren,
Hij, die mij trouwe vriendschap bood.
Ontsteekt uw toorn, blijft zonde mijden;
beproeft bij nacht uw hart, zwijgt stil.
Komt aan de Heer uw offers wijden,
die Hem, naar eis gebracht, verblijden.
Bouwt vast op Hem, volbrengt Zijn wil.

3. Wie is het, hoort men velen spreken,
die met het goede ons verblijdt?
Wil over ons, Heer, hun ten teken,
licht van uw bijzijn door doen breken
in al zijn kracht en heerlijkheid.
Mij wilt Gij dieper vreugd bezorgen
dan hun in tijd van overvloed.
k Mag vredig slapen tot de morgen,
daar U Heer, in Uw trouw geborgen,
alleen mij veilig wonen doet.


Psalm 5
1. O hoor vanuit Uw hoge woning.
Neig tot mijn zuchten , Heer, Uw oor;
geef aan mijn geroep om hulp gehoor.
Ik bid tot U om gunstbetoning,
mijn God, mijn Koning.

2. U hoort mij Heer, als ik met klachten
tot U kom bij het morgenlicht
en mij buig voor Uw aangezicht.
Ik leg U voor al mijn gedachten,
blijf U verwachten.

3. U kunt de zonde niet gedogen.
U bent geen God die kwaad verdraagt,
daar goddeloosheid u mishaagt.
U stoot wie dwaas zichzelf verhogen
weg uit Uw ogen.

4. Hoe haat Gij al wie ongebonden
wandelt in ongerechtigheid;
wie dorst naar bloed, bedrog niet mijdt.
De Heer verfoeit hem om zijn zonde,
richt hem ten gronde.

5. Maar ik zal met mijn dankgebeden
Uw huis eerbiedig binnengaan,
diep buigend naar Uw tempel staan.
Ik mag door Uw goedgunstigheden
zo voor U treden.

6. Heer, houd in toom wie mij belagen,
leid mij door Uw gerechtigheid.
Maak Uw weg voor mij vlak en wijd.
Doe voor mijn ogen op mijn vragen
Uw redding dagen.

7. Hun woord mist immers alle echtheid,
hun keel is als een open graf;
glad is hun tong die vraagt om straf.
Hun hart, zo vol verderf en slechtheid,
kent geen oprechtheid.

8. O God, vang hen in eigen netten;
stoot weg wie kwade wegen gaan,
die U in raad en daad weerstaan.
Want zij gaan voort zich te verzetten
tegen Uw wetten.

9. Maar juichend zal van U gewagen
wie bij U Heer, zijn schuilplaats heeft.
U zegent wie rechtvaardig leeft.
Als schild beschermt hem al zijn dagen
Uw welbehagen.


Psalm 6
1. Heer, wil mij in mijn lijden
niet in uw toorn kastijden,
straf mij in gramschap niet.
Wees mij, o Heer genadig;
toon U aan mij weldadig,
daar U mij kwijnen ziet.

2. O Heer, wil mij herstellen,
daar schrik en angst mij kwellen;
ja, mij is het zeer bang.
Leed dreigt mij t overstelpen
en U die uit kunt helpen
blijft weg, o Heer, hoe lang?

3. Keer weer en red mijn leven;
Heer,wil mij uitkomst geven;
Uw gunst is immers groot.
Want wie zou aan U denken
en U verering schenken,
ja, loven in de dood?

4. Mijn levenskrachten tanen,
mijn bed heb ik met tranen
nacht in nacht uit doorweekt.
Mijn ogen, dof van lijden
door hen die mij bestrijden,
zijn zwak, de glans ontbreekt.

5. Wijkt, werkers van het kwade.
De Heer heeft in genade
mijn smekingen verstaan.
Hij hoorde naar mijn kermen
en wilde Zich ontfermen.
Hij neemt mijn bidden aan.

6. Diep zullen zij zich schamen
die sluw mijn val beramen,
verbijsterd door Uw straf.
Wie jaagde op mijn leven,
deinst smadelijk verdreven
nu in een oogwenk af.


 Psalm 7
1. Neem, Heer mijn God, mij in Uw hoede,
mijn schuilplaats voor des vijands woede.
Sta mij als machtig redder bij;
maak mij van mijn vervolger vrij.
Laat hem niet toe mij weg te sleuren,
zoals een leeuw die wil verscheuren.
Als hij zijn klauwen in mij zet
bezwijk ik door geen mens gered.

2. Had, Heer mijn God, ik dat bedreven:
 zou aan mijn handen onrecht kleven,
deed ik hem die mijn vriend was, kwaad,
dan overwinne wie mij haat.
Laat mij aan hem dan niet ontsnappen
en hij mij in het stof vertrappen.
Hem, die ik redde van de dood
wie zonder grond mij bracht in nood.

3. Sta op, Heer, om in toorn te weren
wie woedend tegen mij zich keren.
Grijp in, nu mij de vijand knecht,
want Gij verordent heilig recht.
Laat volkeren in grote scharen
zich om Uw rechterstoel vergaren.
Keer naar Uw troon voor ieders oog
om hen te richten van omhoog.

4. Rechtvaardig richt de Heer de volken.
Hij zetelt boven lucht en wolken.
Heer, doe mij recht, want ik toch pleit
op onschuld en gerechtigheid.
Vernietig dan het kwaad der bozen,
houd staande wie Uw wegen kozen;
o God, U die ons kent, doorziet,
die in rechtvaardigheid gebiedt.

5. Mijn schild is bij God, in het strijden,
die de oprechten zal bevrijden.
God richt naar recht met hoogst gezag,
een God, die toornt van dag tot dag.
Hij scherpt Zijn zwaard, klaar om te treffen
wie tegen Hem zich blijft verheffen.
Hij die de boog trefzeker richt,
maakt van Zijn pijl een vuurge schicht.

6. Zie hen die vol van zonde waren,
van onheil zwanger, leugen baren
en hoe wie diepe kuilen maakt
zelf reddeloos daarin geraakt.
Zijn kwaad zal tegen hem zich keren.
Ik echter prijs de naam des Heeren.
Hem, dAllerhoogste, zij gewijd
mijn psalm, naar Zijn gerechtigheid.


Psalm 8
1. Heer, onze Heer, oneindig groot in waarde
en heerlijk is Uw naam op heel de aarde.
Hoe maakt Gij aan het lichtend firmament
de luister van Uw majesteit bekend.

2. Uit kinder- ook uit zuigelingenmonden
hebt Gij U eer en sterkte willen gronden;
zodat ten spijt van elk die U weerstaat,
verstomt al wie op wraak zint en U haat.

3. Als ik geboeid Uw hemel mag aanschouwen:
wat rijke pracht! Hoe kon Uw hand dit bouwen?
Die schone maan, door sterrenpracht omspeeld-
is kunstig door Uw vingers uitgebeeld.

4. Wat is de mens dat Gij aan hem wilt denken,
een nietig mens wilt Gij zelfs aandacht schenken.
Bijna heerst hij in goddelijke macht,
door U gekroond met heerlijkheid en pracht.

5. Gij geeft de mens Uw werken te beheren,
doet over wat Gij voortbracht hem regeren:
het grazend vee, al wat de zee doorkruist,
wat vliegt, of ook diep in de wouden huist.

6. Heer, onze Heer, die trouw Uw volk bewaarde,
hoe heerlijk is Uw naam op heel de aarde.
Gij hebt Uw macht, Uw grote majesteit,
in al Uw werk zeer glorierijk verspreid.


Psalm 9
1. Met heel mijn hart zing ik Uw eer
en roem Uw wonderwerken, Heer;
U, Allerhoogste, wil ik prijzen
en U met psalmen dank bewijzen.

2. Want, nu Gij openbaart Uw kracht,
deinzen mijn haters voor Uw macht;
Uw aangezicht verschrikt hen allen,
zodat zij struikelen en vallen.

3. Gij hebt mijn twistzaak volgens recht,
rechtvaardig Rechter, zelf beslecht;
Gij hebt de rechterstoel beklommen
en mijn belagers doen verstommen.

4. De volken greep Uw dreiging aan,
deed goddelozen ondergaan;
hun naam van hen die U bestreden
is uitgewist uit het verleden.

5. Gebroken is hun tegenstand;
n trieste puinhoop werd hun land;
Gij hebt verwoest hun sterke steden,
hun roem is nu voorgoed vergleden.

6. De Heer toch heeft in eeuwigheid,
Zijn zetel ten gericht bereid;
Hij zal naar recht de wereld richten,
elk volk moet voor Zijn oordeel zwichten.

7. De Heer zal voor verdrukten zijn
tot vaste burcht in nood en pijn.
Hij zal zich aan hun zijde scharen,
hun toevlucht wezen in gevaren.

8. Op U bouwt elk die kent Uw naam,
hij weet: U bent tot hulp bekwaam;
want wie U zoeken in hun leven,
zult Gij, o Heer, nooit meer begeven.

9. Psalmzingt de Heer, die eeuwig leeft,
die Sion tot Zijn woning heeft.
Uw lied moet thans Zijn roem vertolken,
vertelt Zijn daden aan de volken.

10. Want hij die bloedschuld ziet en wreekt,
hoort en gedenkt wie tot Hem smeekt;
diet recht der armen hoort te weten
zal nooit hun bang geroep vergeten.

11. Heer, wees genadig, zie mijn nood,
U, die mij opheft uit de dood,
opdat ik van Uw heil getuige,
in Sions poorten vrolijk juiche.

12. Dan ondergaan volken hun straf;
hun eigen vangkuil werd hun graf;
hun voeten zijn verward in netten
die zij in het verborgen zetten.

13. De Heer bewees toen met de daad
hoe vast het recht door Hem bestaat;
de goddeloze kwam in banden,
verstrikt in werk van eigen handen.

14. De bozen doet Hij ondergaan,
ja, al die volken zal Hij slaan;
wie God vergeten, hem niet achten,
de dood zal hen voorzeker wachten.

15. Want wie verdrukt zijn blijven niet
voor altijd in hun groot verdriet;
ootmoedig volk blijft hulp beschoren,
hun hoop gaat niet voorgoed verloren.

16. Sta op, o Heer, kom ten gericht,
daag volken voor Uw aangezicht;
laat hen geen eer, geen roem behalen,
de sterveling niet zegepralen.

17. O Heer, verbreek hun eigenwaan,
jaag volkeren verschrikking aan;
zodat wie dreigend ons omringen,
erkennen: wij zijn stervelingen.


Psalm 10
1. Waarom, o Heer, blijft Gij van verre staan;
waarom verbergt Gij U in tijd van nood?
Wanhopig ziet Uw arme volk het aan
hoe trotsen hen vervolgen tot de dood
en boos volk hen hoogmoedig van zich stoot.
Wil hen die sluw tegen ons samenspannen
verstrikken in hun eigen boze plannen.

2. De boze roemt en pocht naar hartelust;
de woekeraar spreekt zegenwensen uit.
Hij smaadt de Heer, is nimmer ongerust,
hij steekt zijn neus omhoog, rijk door zijn buit.
Vol eigenwaan komt hij tot dit besluit:
Er is geen God die rekenschap zal vragen.
Zijn wegen zijn voorspoedig al zijn dagen.

3. Uw oordeel is te hoog, dan dat hij ziet,
hij briest tot elk die hem in moeite bracht;
zijn boze hart zegt hem: Ik wankel niet,
mij treft geen ramp tot in het verst geslacht.
Zo snoeft hij fel in zijn brutale kracht.
Hij vult zijn mond met kwelzucht, vloek en leugen
en hij geniet dit kwaad met volle teugen.

4. In hinderlaag ligt hij; belust op moord.
Hij wacht en loert, totdat hij iemand ziet.
Door struikgewas sluipt hij behoedzaam voort
zoals een leeuw, die fel zijn prooi bespiedt.
Dan springt hij toe, zijn klauwen missen niet;
wie zwak is valt dan in zijn sterke poten.
Zo wordt door hem onschuldig bloed vergoten.

5. Hij denkt: God sluit voor mijn gedrag Zijn oog,
ja, Hij vergeet het, tot in eeuwigheid.
Heer God, sta op! Hef nu Uw hand omhoog,
bewijs wie zwak is Uw barmhartigheid.
Waarom versmaadt de dwaas Gods majesteit?
Wie U niet dient durft in zijn hart te spreken:
God wendt zich af, Hij zal dit nimmer wreken.

6. Maar ik weet vast: die hoon ontgaat U niet,
Gij straft in toorn wie tegen U zich kant,
want Gij aanschouwt de moeite, het verdriet,
dit alles legt Gij in Uw vaderhand.
Gij doet de wees Uw woord van trouw gestand.
Die armen redt: breek ook de macht der bozen
en doe teniet de kracht der goddelozen.

7. Als Koning heerst de Heer in eeuwigheid;
het boos beraad van volken is verstoord;
Hij heeft Zijn land door Zijn gericht bevrijd.
Ootmoedigen hebt Gij, o Heer, verhoord.
Gij sterkt hun hart, Uw oor merkt op hun woord,
om recht te doen aan armen en aan wezen,
zodat zij nooit een nietig mens weer vrezen.


Psalm 11
1. De Heer zal mij een goede schuilplaats blijken.-
Wat raadt u mij dan, angstig en ontsteld:
t Is beter naar de bergen uit te wijken,
zoals vol angst een schuwe vogel snelt;
u treft de pijl van allen die u haten,
nu alle recht moet wijken voor geweld,
wat zal dan uw oprechtheid u nog baten?

2. De Heer blijft in de hemel eeuwig tronen,
vanwaar Zijn oog de mensen toetst en kent;
met vuur en storm zal Hij t geweld belonen,
als Hij Zijn straf op goddelozen zendt.
Hij mint alleen oprechten en getrouwen;
hun blijft Zijn gunst voor eeuwig toegewend:
die zullen straks Zijn aangezicht aanschouwen.


Psalm 12
1. Breng redding, Heer, want vroomheid is geweken.
Geen mens is trouw, elk is een leugenaar.
Met gladde tong hoort men ze leugens spreken,
bedriegend met een dubbel hart elkaar.

2. O Heer, verdelg hen die bedrieglijk spreken
en elke tong die snoevend gaat tekeer.
Roei uit wie zegt: Ons woord is niet te breken;
wie zouden wij bekennen: U bent heer?

3. Zo spreekt de Heer: Om het geklaag der armen
sta Ik nu op: Ik red wie Mij verwacht.
k Zal over die verdrukten Mij erbarmen:
in veiligheid stel Ik wie daarnaar smacht.

4. t Woord van de Heer is altijd trouw gebleken
en zuiver als het edelste metaal;
ja, reiner nog dan zilver is Zijn spreken,
gelouterd in een oven zevenmaal.

5. U zult, o Heer, Uw heilig woord nooit breken
en u beschermt ons tegen dit geslacht.
De boze durft het hoofd hoog op te steken;
in kwaad doen zoekt het mensenkind zijn kracht.


Psalm 13
1. Hoe lang vergeet Gij mij, o Heer?
Hoe lang verbergt Gij u zozeer?
Hoe lang nog moet ik alle dagen
mijn plannen vol zorg met mij dragen
en ziet mijn vijand op mij neer?

2. Zie, Heer mijn God en antwoord mij!
Verlicht mijn oog en sta mij bij,
laat mij toch in het graf niet dalen,
opdat mijn vijand niet kan smalen:
Hij wankelt: voor mijn macht buigt hij.

3. Ik zal vertrouwend verder gaan,
omdat Uw gunst mij bij zal staan.
Mijn hart zal om Uw redding juichen,
mijn lied de Heer mijn dank betuigen,
want Hij heeft aan mij welgedaan.


Psalm 14
1. De dwaas zegt bij zichzelf in overmoed:
Er is geen God-. t Is misdaad wat zij plegen,
zij wandelen op gruwelijke wegen
en uit hun hart welt kwaad in overvloed;
niemand doet goed.

2. De Heer ziet uit Zijn hoge hemel neer
of iemand wijs is, luistert naar Zijn spreken,
n die God zoekt. Maar elk is afgeweken.
Samen ontaard; zij brengen Hem geen eer;
nee, niemand meer.

3. Zal dan dit boos geslacht het nooit verstaan?
Hoe kunnen zij in kwaad doen, vreugde vinden,
zij die Mijn volk, als at men brood, verslinden?
Des Heeren naam roepen zij niet meer aan',
vol eigenwaan.

4. Straks overvalt de schrik hen onverwacht,
want nooit heeft God rechtvaardigen verlaten.
Zij kunnen Zijn verdrukte volk wel haten,
toch blijft de Heer hun toevlucht en hun kracht;
Hij hoort hun klacht.

5. Och, daagde hulp uit Sion van de Heer!
Wanneer Hij redt Zijn Isral uit lijden,
dan zal het volk van Jakob zich verblijden,
dan prijst verheugd heel Isral Hem weer
en geeft Hem eer.


Psalm 15
1. Heer, wie zal wonen in Uw tent,
op Uw gewijde berg verkeren?
Wie recht doet en Uw wet niet schendt,
in heel zijn wandel U erkent
en waarheid hartelijk wil eren.

2. Hij die zich wacht voor lasterpraat,
wiens tong vermijdt bedrog te plegen,
zijn vrienden niet bedreigt met kwaad,
zijn naaste niet belaadt met smaad,
maar hem in liefde is genegen.

3. Wie de verworpene veracht,
maar eert hem die de Heer wil vrezen;
voor breken van zijn eed zich wacht
maar wat hij zweert ook trouw betracht,
al zou het hem tot schade wezen.

4. Wie van zijn geld geen woeker maakt,
wie zich geen vals geschenk laat geven,
nooit in het recht zijn plicht verzaakt.
- Wie zo getrouw zijn weg bewaakt,
zal nimmer wankelen in t leven.


Psalm 16
1. Bij U schuil ik: O God bewaar mij nu.
Ik heb gezegd: Heer bent U van mijn leven,
geen enkel goed bezit ik buiten U;
mijn hart zal ik nooit aan een ander geven.
Ook heb ik lief Uw heilig volk op aarde:
hen acht ik hoog, hen houd ik steeds in waarde.

2. Wie heil in dienst van vreemde goden ziet,
hun gunst begeert, krijgt smart op smart te lijden.
Ik echter pleng met hen hun offers niet
waarbij zij bloed als heilge gaven wijden.
Hoe zou ik ooit in zulke mensen roemen?
Zelfs zal mijn mond hun namen nimmer noemen.

3. In U, o Heer, vind ik mijn hoogste goed,
mijn erfenis, mijn rijk gevulde beker;
voortdurend word ik door Uw trouw behoed
en weet bij U mijn toekomst vast en zeker.
Het meetsnoer viel voor mij in schone dreven:
ja, vreugd zal mij mijn erfdeel altijd geven.

4. Ik prijs de Heer die mij heeft onderricht;
mijn hart blijft zelfs bij nacht mij inzicht geven.
Ik stel de Heer steeds voor mijn aangezicht
en wankel niet, want Hij beschermt mijn leven;
verheugd van hart zal ik mijn blijdschap tonen,
in veiligheid en vrede bij U wonen.

5. Want Gij die mij van dood en graf bevrijdt,
behoedt mij als Uw gunstgenoot voor sterven:
ik zal, door U op t levenspad geleid,
de vreugde van Uw aangezicht berven.
Voor immer zal Uw rechterhand bevatten
een overvloed van kostelijke schatten.


Psalm 17
1. O Heer, geef aan mijn klacht gehoor.
Wat ik U voorleg is rechtvaardig;
verwerp mijn zaak niet als onwaardig,
leen aan mijn smeekgebed Uw oor.
Onwaarheid zal mij niet ontglippen,
want ik sta rein voor Uw gezicht;
U brengt wat recht is in het licht
en U doorgrondt de taal der lippen.

2. Als U mijn hart keurt in de nacht,
beproeft Gij mij, U vindt geen zonden;
geen boos beraad hebt Gij gevonden,
ik geef op al mijn woorden acht.
Ik meed hen die het kwade deden
en hield getrouw mij aan Uw woord;
zo ging ik in Uw voetspoor voort,
en nimmer wankelden mijn schreden.

3. U roep ik aan: U antwoordt mij;
laat mijn stem, o God, U bereiken,
doe weer Uw trouw, Uw gunst mij blijken
en wees mij wonderbaar nabij.
Want Gij redt hen die moeten vluchten,
benauwd door felle tegenstand;
zij schuilen bij Uw rechterhand,
waar zij geen kwaad of onheil duchten.

4. Breid uit Uw vleugels van omhoog,
houd in hun schaduw mij geborgen;
bewaar mij en wil voor mij zorgen,
als voor de appel van het oog.
Mijn doodsvijanden gaan zich wreken,
k word overweldigd en getart.
Gevoelloos is hun boze hart,
een hoge toon beheerst hun spreken.

5. Wij zijn belaagd, waar wij ook gaan,
de vijand blijft ons sluw omringen,
zijn oogmerk is op ons te springen
en ons ter aarde neer te slaan.
Hij ligt met loerend oog te speuren,
zoals een jonge leeuw op jacht,
die roerloos in zijn schuilhoek wacht,
begerig is om te verscheuren.

6. Sta op, Heer, treed hem tegemoet,
doe toch de goddeloze bukken;
ontbloot Uw zwaard, wil mij ontrukken
aan hem die hunkert naar mijn bloed.
Heer, wie niets van Uw heil verwachten,
wier deel is al wat weelde heet,
geef hun een overmaat aan leed,
tref hen daarmee in drie geslachten.

7. Maar welk een vreugd, mij toebedeeld:
als ik ontwaak, op U vertrouwend,
U in gerechtigheid aanschouwend,
verzadig ik mij met Uw beeld.


Psalm 18
Hoe innig lief heb ik U, Heer, mijn sterkte,
die mij verlost, ja mijn behoud bewerkte.
Mijn burcht bent U, Heer, waar ik toevlucht zocht;
mijn God, mijn Rots, bij wie ik schuilen mocht.
U wilt tot schild, tot bron van heil mij wezen;
als een sterk fort, dan heb ik niet te vrezen.
Lof zij de Heer, roep ik vol dankbaarheid;
want ik ben van mijn vijanden bevrijd.

2. Door banden van de dood was ik omgeven;
de doodsrivier was dreigend om mijn leven;
met banden had de dood mij vast omkneld
en op mijn weg valstrikken opgesteld.
Toen riep ik luid in grote angst de Heer aan,
ik bad: Mijn God wil mij genadig bijstaan.
Hij gaf mijn stem uit Zijn paleis gehoor,
mijn roep om hulp drong tot Zijn oren door.

3. Terstond ging toen de aarde bevend dreunen,
zelfs ook de grond waarop de bergen steunen
ging sidderen bij daverend geluid,
want hevig sprak daarin Gods toorn zich uit.
Toen sloeg uit Zijn neus hete rook naar boven,
vuur blies Zijn mond, verterend als een oven.
Dit vuur van Hem stak kolen in de brand,
want tegen gloed, zo heet, bleek niets bestand.

4.Hij daalde af, Hij deed de hemel neigen
en onder Hem zag ik het donker dreigen.
Hij reed toen op een cherub en Hij vloog
op vleugels van de wind snel van omhoog.
Hij hulde zich in angstaanjagend duister,
het zwarte zwerk verhoogde nog Zijn luister.
Waar door de glans Zijn wolkendek verdween
trok gloeiend vuur en hagel voor Hem heen.

5. Door donder liet de Heer in aller oren
Zijn stem, de stem des Allerhoogsten horen.
Zijn pijlen schoot Hij brandend door de lucht,
de bliksem joeg de vijand op de vlucht.
Toen toonde zich de bedding van de stromen
en is het hart van daarde bloot gekomen;
dit hebt Gij Heer, door dreigen met Uw macht,
door dadem van Uw mond teweeggebracht.

6. Maar Hij wilde Zijn hand mij helpend reiken,
Hij trok mij op mijn haters moesten wijken
en Hij heeft mij, hun overmacht ten spijt,
uit woest geweld van wateren bevrijd.
O onheilsdag, toen zij mij tegentraden.
Maar Hij, de Heer, steunde mij door Zijn daden;
Hij redde mij, schonk ruimte op mijn pad,
omdat Hij aan mij welgevallen had.

7. Mij heeft de Heer naar mijn rechtvaardig leven
en reinheid van mijn handen, loon gegeven;
want aan de weg des Heeren hield ik mij;
ik ging mijn God niet goddeloos voorbij.
Steeds stonden mij voor ogen al Zijn wetten;
op Zijn gebod bleef ik nauwkeurig letten.
Ik was voor Hem oprecht te allen tijd
en wachtte mij voor ongerechtigheid.

8. Toen heeft de Heer naar mijn rechtvaardig leven,
de reinheid van mijn handen, loon gegeven.
Want Gij zult trouw voor de getrouwe zijn;
recht voor wie recht doet, voor wie rein is rein.
Trouw blijft Gij op hun levensweg hen leiden,
maar U zult elk die leeft in kwaad bestrijden.
U helpt hem uit die naar Uw wetten leeft,
maar toornt op elk die Uw gebod weerstreeft.

9. Uw volk in nood zult Gij gewis verhogen,
maar U buigt neer wie trots zijn in hun ogen.
U immers maakt dat mijn lamp helder schijnt;
dat, Heer, mijn God mijn duisternis verdwijnt.
Met U kan ik door legerbenden dringen
en met mijn God zelfs over muren springen.
Wie in de strijd van U zijn hulp verwacht,
ontvangt van U voortdurend moed en kracht.

10. De wegen Gods, zij zijn volmaakte wegen;
des Heeren woord klinkt ons steeds zuiver tegen.
Voor ieder die bij Hem schuilt in gevaar,
is Hij een schild, tot zijn bescherming klaar.
Want wie is God, wie is als Heer te achten
dan onze God, een rots, zeer sterk van krachten?
Hij is die God, die mij met kracht omgordt,
door wie mijn weg volkomen effen wordt.

11. Hij maakte mij lichtvoetig als de hinden.
Vastheid doet hij mij op mijn hoogten vinden.
Hij oefende tot strijd mijn zwakke hand,
zodat mijn arm een boog van koper spant.
U hebt aan mij als schild Uw heil gegeven,
Uw rechterhand beveiligde mijn leven
en U was voor mij zo neerbuigend goed,
dat Gij mij hebt omgord met heldenmoed.

12. Ruim baan hebt Gij gemaakt voor al mijn schreden,
ik stond zeer vast, nooit ben ik uitgegleden.
Mijn vijanden ben ik toen nagesneld,
totdat ik hen ter aarde had geveld.
Mijn haters heb ik allen neergeslagen;
nooit zullen zij een nieuwe aanval wagen.
U hebt tot strijd mij aangegord met kracht,
wie mij weerstond doen bukken voor mijn macht.

13. Mijn vijand hebt Gij op de vlucht gedreven,
ik heb verdelgd wie stonden naar mijn leven.
Geen redder kwam er op hun noodkreet af,
terwijl de Heer aan hen geen antwoord gaf.
Ik joeg ze na en kon hen achterhalen;
viel op hen aan, heb hen tot stof vermalen.
Zij werden als door stormwind voortgejaagd,
als slijk der straat heb ik hen weggevaagd.

14. Uit twistend volk hebt Gij mij hoog verheven,
aan volkeren mij tot een hoofd gegeven;
maar nauwelijks wist ik van hun bestaan,
toch boden zij mij onderwerping aan.
Hun kracht was weg, hen was de moed ontnomen,
ik zag hen uit hun burchten bevend komen;
zij veinsden aan mij onderdanigheid,
ja, bleken zelfs tot slavendienst bereid.

15. De Heer, Hij leeft, hoe is mijn Rots te prijzen;
God van mijn heil, U wil ik eer bewijzen;
Hij is de God die mij gewroken heeft,
mij volken tot mijn onderdanen geeft.
Want hoe hebt Gij het voor mij opgenomen;
U hebt mij aan mijn vijand doen ontkomen;
ik werd verhoogd, mijn hater werd geveld;
voorgoed ben ik verlost van zijn geweld.

16. Daarom wil ik, Heer, voor Uw gunstbewijzen
van harte U onder de volken prijzen.
Groot is Uw naam en groot Uw machtsbetoon;
mijn psalm gezang klinkt op tot voor Uw troon.
Zijn koning heeft Hij redding willen schenken,
Hij was hem trouw en wilde hem gedenken.
Hij heeft voor zijn gezalfde heil bereid,
voor Davids huis, voor nu en voor altijd.


Psalm 19
1. Het ruime hemelrond
vertelt te allen stond
Gods eer en heerlijkheid;
het machtig firmament
maakt overal bekend
Zijn hoge majesteit.
De dag vertelt de dag
met eerbied en ontzag
van al Zijn wonderwerken.
Ook meldt de nacht de nacht,
van wijsheid en van pracht,
die ieder op moet merken.

2. Een woordenloos verhaal
is deze scheppingstaal,
t is alles wonderschoon.
Al hebben zij geen stem,
Gods werken prijzen Hem
met luisterrijk vertoon.
Al hoort men geen geluid,
toch gaat hun boodschap uit
tot aan het eind der aarde.
Zij zijn de mens gezet
tot richtsnoer en tot wet,
onschatbaar is hun waarde.

3. God heeft een tent gesticht,
waaruit in stralend licht,
de zon verrijzen gaat.
Hij heeft het feestkleed om,
fier als een bruidegom,
die t bruidsvertrek verlaat.
Hij jubelt als een held
die tot de zege snelt,
hij zal zijn doel bereiken;
hij trekt zijn gouden spoor
tot aan de einder door;
niets kan zijn gloed ontwijken.

4. Volmaakt is s Heeren wet,
die, door Hem ingezet,
verkwikt al wie haar eert
Zo vast is s Heeren woord,
dat, wie onwetend hoort,
de ware wijsheid leert.
Recht is des Heeren eis,
in alles trouw en wijs;
die kan het hart verblijden.
Ja, s Heeren wet geeft licht
wie d' ogen er op richt
en daardoor zich laat leiden.

5. Des Heeren woord is rein;
t is als een heilsfontein
die opspringt, nooit vergaat.
Rechtvaardig, trouw en hecht
is wat de Heer ons zegt
en dat voor eeuwig staat.
Zijn woord, dat ons behoudt
maakt rijker dan fijn goud,
hoe men dat ooit mag loven.
Ja, als het hoogste goed
gaat dat het edelst zoet
van honing ver te boven.

6. Dat woord leert ook Uw knecht,
U maakt zijn paden recht,
zijn taak wordt hem getoond.
Wie op Uw woord vertrouwt,
Uw wetten onderhoudt,
wordt door U rijk beloond.
Maar wie toch kent de maat
van zijn bedreven kwaad,
wie kan zichzelf doorgronden?
Waarin ik dwaal, weet Gij;
U bid ik: Spreek mij vrij
van diep verborgen zonden.

7. Gij, die Uw knecht behoedt,
laat toch de overmoed
niet heersen over mij.
Dan zal ik voor U rein,
oprecht onschuldig zijn,
van grove zonden vrij.
Laat alles wat ik zeg
en wat ik overleg,
U welgevallig wezen.
U, Heer, op wie ik bouw,
blijft als Verlosser trouw,
mijn rots, U wil ik vrezen.


Psalm 20
1. Dat s Heeren antwoord u steeds sterke
in tijd van angst en strijd.
De naam van Jakobs God bewerke
uw onaantastbaarheid.
Hij kome u uit Sion krachtig
als uit Zijn woning schragen.
Uw brandoffers zij Hij gedachtig
en laat die Hem behagen.

2. Hij geve u wat Gij zult vragen
al wat uw hart vervult.
Hij doe de plannen alle slagen
die gij bedenken zult.
Komt, juichend nu de krijgsbanieren
in naam van God geheven.
Dat u de Heer doe zegevieren,
al wat gij wenst, wil geven.

3. Nu weet ik dat de Heer Zijn koning
tot d'overwinning leidt.
Hij antwoordt uit Zijn heilge woning
Zijn knecht, met zalf gewijd.
Zo zal Zijn rechterhand ons krachtig
vanuit de hemel sterken.
Hij zal met daden, groots en machtig,
heil voor Zijn vorst bewerken.

4. Laat dezen op sterk krijgstuig bogen
en genen op het paard:
wij willen s Heeren naam verhogen;
t is God die ons bewaart.
Zij vallen neer die ons bestreden,
maar wij staan op en leven.
Heer, wil de vorst op onze beden
de overwinning geven.


Psalm 21
1. O Heer, de koning wil verheugd
van al Uw macht getuigen:
hoe doet Uw heil hem juichen.
Zijn hart is vol van louter vreugd,
want Gij hebt zijn gebed
verhoord en hem gered.

2. U schenkt hem wat Gij had beloofd:
een stroom van rijke zegen
ziet hij op al zijn wegen.
U zet een sieraad op zijn hoofd:
een gouden koningskroon
als waardig eerbetoon.

3. De koning heeft van u begeerd
het rijke, volle leven;
U hebt het hem gegeven.
Zo leeft hij voort, alom geerd,
het leven, dat hij wenst
verlengt Gij onbegrensd.

4. Uw heil maakt groot zijn heerlijkheid,
van U kwam zijn victorie,
zijn majesteit en glorie.
Rijk zegent Gij hem voor altijd,
daar U hem sterkt en helpt,
met blijdschap overstelpt.

5. Zo geeft de Heer Zijn koning macht.
Geen duimbreed zal hij wijken,
noch in de strijd bezwijken.
De Allerhoogste is zijn kracht,
wiens trouwe gunst behoedt
voor wankelen zijn voet.

6. Uw sterke arm, uw rechterhand
zal al uw haters vinden.
Gods toorn zal hen verslinden;
zodat in vuur, dat laaiend brandt,
elk die u haat, verdwijnt
als Gij, o Heer, verschijnt.

7. U roeit hen met hun nakroost uit.
Voor allen die u haten
zult gij geen plaats meer laten.
Hun baat geen plan, geen boos besluit
dat tot uw onheil strekt,
als u ten strijde trekt.

8. Niets dan de vlucht laat Gij hen meer,
Gij zult Uw pijlen richten,
zij zullen daardoor zwichten.
Verhef U in Uw sterkte, Heer.
Ons psalmlied prijst Uw macht,
Uw daden, groot van kracht.


Psalm 22
1. Mijn God, mijn God, waarom verliet Gij mij?
Waarom is mijn verlossing niet nabij
en houdt Gij U, hoewel ik droevig schrei,
doof voor mijn klachten?
Mijn God, ik roep bij dag en blijf u wachten,
U antwoordt niet, al lig ik s nachts te kermen;
ik vind geen rust: geen teken van ontfermen
stilt mijn verdriet.

2. En toch bent U de Heilige, die troont
op Isral zijn lofzang en Hij woont
bij 't volk waarvan Gij U als Redder toont
in hun benauwen.
De vaderen, zij bleven U vertrouwen;
want in hun nood hebt Gij hen doen ontkomen,
op hun geroep de dreiging weggenomen.
Uw hulp was groot.

3. Maar ik ik ben een worm, als niets geacht;
ik ben geen man en word, beroofd van kracht
door t volk gehoond, dat grijnzend om mij lacht
bij al mijn smarten.
Men schudt het hoofd en hoor hoe zij mij tarten:
Klaag het de Heer, Hem moet hij uitkomst vragen.
Die immers heeft in hem Zijn welbehagen
zoals weleer!

4. In moeders schoot werd ik door U gebouwd,
door U heb ik het levenslicht aanschouwd,
aan moeders borst heb ik op U vertrouwd
God van mijn leven.
Vanaf dit uur bent U mijn God gebleven.
Wees mij nabij: ik kan geen hulp verkrijgen;
houdt Gij U, nu de nood zo hoog gaat stijgen,
niet ver van mij.

5. Ik ben omringt door stieren zonder tal
van Basan uit, zij dreigen overal,
zoals een leeuw, die mij verscheuren zal
hoor ik hen brullen.
Nu vloeit mijn moed, daar angsten mij vervullen,
als water heen; ontwricht zijn al mijn leden;
mijn hart smelt weg, ik heb mij moegestreden
en ben alleen.

6. Mijn levenskracht is als een scherf verdroogd;
mijn tong kleeft in mijn mond, door dorst gekloofd.
In stof des doods. het levenslicht gedoofd,
doet Gij mij bukken.
Want om mij zie ik honden samenrukken.
Reeds dringt met kracht boosaardig volk naar voren,
zij komen wreed mijn hand en voet doorboren,
doof voor mijn klacht.

7. Mijn beendren kan ik tellen een voor een;
vol leedvermaak schaart men zich om mij heen.
Het is hun doel met mij, geheel alleen
hun spel te spelen.
Zij haasten zich mijn kleding te verdelen:
die boze daad doet nog mijn schande stijgen,
het lot maakt uit wie mijn gewaad zal krijgen,
al tot mijn smaad.

8.Maar Gij, o Heer, wees niet ver weg van mij.
Mijn sterkte, haast U, kom mij naderbij.
Niets bleef mij dan mijn leven: maak dat vrij,
blijf het behoeden.
Red mij van t zwaard, van honden die fel woeden.
Wil door Uw woord de muil der leeuwen sluiten
en het geweld van al dat hoornvee stuiten.

9. Uw naam geef ik bij al mijn broeders eer,
temidden van Uw volk waar ik verkeer.
U die Hem vreest, laat allen voor de Heer
uw lofzang rijzen.
Laat al het kroost van Jakob Hem dan prijzen,
heel het geslacht van Isral Hem eren
en lovend met ontzag tot Hem zich keren
die redding bracht.

10. Want Hij heeft de ellende niet versmaad
van wie veracht, bijna ten onder gaat.
Met hem begaan, schonk hij met raad en daad
hulp aan die arme.
Hij hoorde hem in liefderijk erbarmen;
Zijn aangezicht heeft Hij hem niet verborgen,
maar heeft op zijn geroep uit angst en zorgen
hem opgericht.

11. Aan U dank ik het loflied dat ik zing,
saam met Uw volk in de vergadering
betaal ik mijn geloften in de kring
van wie Hem vrezen.
Ootmoedig volk zal rijk verzadigd wezen;
tot dank bereid, zal wie de Heer zoekt, prijzen.
Uw hart herleev bij al die gunstbewijzen
nu en altijd.

12. Dan wordt erkend de grootheid van de Heer
en keert tot Hem de hele aarde weer;
ja, elk geslacht zal knielen voor U neer
met eerbewijzen.
Zij zullen Hem als Heer der volken prijzen;
Zijn koninkrijk in rijke glans verschijnen,
uit ieder volk dan brengen Hem de zijnen
hun huldeblijk.

13. Aanbidden zal Hem ook wie niet meer leeft,
tot stof vergaan en wie geen aanzien heeft;
voor Hem knielt neer, wie het de kracht begeeft,
Hem zij geprezen.
Het nakroost zal van jongsaf onderwezen,
aan het geslacht dat na hen wordt geboren,
Gods macht en Zijn gerechtigheid doen horen
wat Hij volbracht.


Psalm 23
1. Goed is de Heer: Hij wil mijn herder wezen,
geen ding ontbreekt mij, ik heb niets te vrezen.
Hij voert mij zacht naar frisse, groene weiden,
Zijn hand zal mij aan stille stromen leiden;
mijn levenskracht schenkt Hij mij als tevoren,
Hij brengt mij tot Zijn eer in rechte sporen.

2. Ik vrees geen kwaad, al moet ik zelfs door dalen
vol doodsgevaar in aardedonker dwalen;
U gaat naast mij, U bent mij steeds genadig,
Uw stok en staf vertroosten mij gestadig.
Mijn vijanden zien het met lede ogen,
hoe U mij aan Uw tafel wilt verhogen.

3. U zalft mijn hoofd, U doet mijn blijdschap groeien,
van al Uw heil mijn beker overvloeien.
Uw rijke gunst, mij in Uw trouw gegeven,
verlicht mijn gang, omringt mij heel mijn leven,
zodat ik in het heilig huis des Heeren
dag in dag uit met vreugde zal verkeren.


Psalm 24
1. De aarde en al wat zij geeft,
de wereld met wie daarop leeft,
is uit des Heeren hand gekomen.
Want door een machtswoord uit Zijn mond
heeft Hij op zeen haar gegrond,
haar vastgezet op brede stromen.

2. Wie klimt de berg des Heeren op?
Wie mag ootmoedig op die ,
het heiligdom van God betreden?
De man die, rein van hart en hand,
de leugen uit zijn leven bant,
die geen bedrog pleegt in zijn eden.

3. Hij draagt de zegen van de Heer,
gerechtigheid daalt op hem neer:
dat heil zal hij van God ontvangen.
Dit is t geslacht, op Hem gericht;
het zoekt alleen Uw aangezicht;
Uw gunst is Jakobs hoogst verlangen.

4. Gij poorten, maakt u hoog en breed,
aloude deuren, staat gereed:
laat ingaan de doorluchte Koning.
Wie is die Vorst, vol majesteit?
De Heer, geweldig in de strijd,
die Heer begeeft zich naar Zijn woning.

5. Gij poorten, maakt u hoog en breed,
aloude deuren, staat gereed:
laat doorgaan de verheven Koning.
Wie is die Koning, vol van kracht?
Die Heer is van Zijn hemelmacht,
die Koning past de eerbetoning.


Psalm 25
1. k Houd mijn hart tot U geheven,
ik vertrouw op U, mijn God.
Wil mijn vijand nimmer geven,
dat hij schamper mij bespot.
Schaamrood worden nimmermeer
zij, die hoopvol U verwachten;
maar beschaamd staan keer op keer
wie U trouweloos verachten.

2. Heer, doe mij U wegen kennen,
en wijs mij Uw paden aan;
geef dat ik eraan mag wennen
die blijmoedig op te gaan.
Daarom, wil mij leren nu
en als trouwe gids mij leiden;
want, o God, mijn heil bent U,
ik blijf altijd U verbeiden.

3. Toon mij Heer, Uw mededogen,
denk aan Uw barmhartigheid,
die vanouds U heeft bewogen,
aan Uw gunst van eeuwigheid.
Maar gedenk mijn zonden niet,
ook niet uit mijn jonge jaren;
Heer, U die mijn ontrouw ziet,
doe Uw goedheid mij ervaren.

4. s Heeren goedheid zal ik prijzen:
recht en waar is wat Hij zegt,
zondaars zal Hij onderwijzen,
Hij brengt dwalenden terecht.
Wie voor Hem in ootmoed leeft,
leidt Hij in het recht des Heeren;
en wie nederig zich geeft,
zal van Hem Zijn wegen leren.

5. Trouw zijn al des Heeren paden
voor wie Zijn verbond bewaart
en als richtsnoer voor zijn daden
Zijn getuigenis aanvaardt.
Wil mij toch, Uw naam tot eer,
heel mijn zondeschuld vergeven;
groot is mijn vergrijp, o Heer,
ik heb tegen U misdreven.

6. Wie verlangt de Heer te vrezen,
dient Hem trouw in wat hij doet?
God zal hem tot leidsman wezen,
leren langs welk pad hij moet.
Wie zijn heil van God verwacht
zal het uit Zijn hand verwerven;
zijn godvruchtig nageslacht
zal eens heel het land berven.

7. s Heeren vriendschap ondervinden
allen die godvrezend zijn,
en Hij geeft aan Zijn beminden
Zijn verbond als groot geheim.
Ik zal, t oog omhoog gericht,
op de Heer voortdurend letten,
want Hij, die mijn pad verlicht
haalt mijn voet uit strik en netten.

8. Wend U tot mij, hoor mijn zuchten,
schenk mij Uw genade, Heer:
eenzaam kom ik tot U vluchten
en ellende drukt mij neer.
Ik ben overstelpt door smart,
steeds benauwder wordt mijn lijden;
grote vrees beklemt mijn hart,
wil mij van die angst bevrijden.

9. Wil U over mij ontfermen,
zie mijn moeite, mijn verdriet;
al mijn zonden doen mij kermen,
spreek mij vrij, verwerp mij niet.
Zie, hoe talrijk, als om strijd,
mij mijn vijanden belagen,
en met welk een haat en nijd
zij boosaardig op mij jagen.

10. Red mij, wil mijn leven sparen,
bij U schuil ik met mijn klacht;
wil voor schaamte mij bewaren,
daar ik hoopvol U verwacht.
Laten mij, op Uw bevel,
eerlijkheid en onschuld leiden.
Wil, o God, heel Isral
toch van al zijn angst bevrijden!


Psalm 26
1. O Heer, doe Gij mij recht;
ik leefde als Uw knecht
rechtvaardig, naar Uw heilig woord;
ik bleef de Heer vertrouwen
en hoopvol op Hem bouwen;
zo ging ik zonder wanklen voort.

2. Heer, toets mij om te zien
dat ik getrouw U dien
en mij met hart en ziel U wijd.
Want diep voor U gebogen,
houd ik Uw gunst voor ogen,
Uw trouw is het die mij steeds leidt.

3. Ik voel mij nimmer thuis
bij valsaards in hun huis;
nooit sluit ik mij bij veinzaards aan.
Ik haat de kring der bozen
en schuw die goddelozen,
bij hen zal nooit mijn zetel staan.

4. Mijn handen was ik , Heer,
in onschuld telkens weer
voor ik rondom Uw altaar schrijd.
k Zal luid Uw wondren loven;
Heer, ik heb lief Uw hoven,
de woonplaats van Uw heerlijkheid.

5. Verdelg mijn leven niet
met al wie bloed vergiet,
wier hand bezoedeld is door schuld.
Zij pogen om te kopen,
doen op geschenken hopen,
waarmee hun rechterhand zich vult.

6. Maar, levend naar Uw woord
treed ik rechtvaardig voort;
red mij en doe uit gunst mij goed.
Ik volg gebaande wegen
en loof God om die zegen
waar ik des Heeren volk ontmoet.


Psalm 27
1. Mijn licht komt van de Heer, wie zou ik vrezen?
Hij is mijn heil, die redt uit alle nood.
Mijn levensburcht: ik hoef niet bang te wezen,
ik word door Hem beveiligd voor de dood.
Bloeddorstig sloop mijn vijand in het rond,
zodat ik mij in groot gevaar bevond.
Maar allen die mij wilden tegenstaan,
zijn met hun macht gevallen en vergaan.

2. Al zou mij ook een legermacht omringen,
dan vrees ik niet voor zoveel overmacht;
al zou men mij tot oorlog willen dwingen,
toch houdt dan mijn vertrouwen al zijn kracht.
Een ding heb ik begeerd, waar ik naar streef:
in s Heeren huis te zijn zolang ik leef;
Zijn lieflijkheid aanschouwen dag aan dag
dat ik in Zijn huis onderzoeken mag.

3.Want in Zijn hut beschaduwt Hij mijn leven,
daar bergt Hij mij ten dage van het kwaad;
Hij wil mij in Zijn tent een schuilplaats geven,
hoog op een rots, die onbewogen staat.
In zegepraal verheft zich nu mijn hoofd,
mijn vijand is van al zijn macht beroofd:
ik offer aan de Heer met feestgeklank,
in psalm en lied bewijs ik Hem mijn dank.

4. O Heer, neig tot mijn luid geroep Uw oren
en antwoord mij, schenk mij genadig licht.
Mijn hart beaamt het woord dat Gij doet horen,
Uw woord dat mij dringt: Zoek Mijn aangezicht.
Dat zoek ik Heer, verberg het niet voor mij;
ga toch in toorn niet aan Uw knecht voorbij.
God van mijn heil, mijn hulp, U neemt mij aan
als vader en als moeder van mij gaan.

5. Heer, leid mij op het rechte pad ten leven;
wijs mij Uw weg, mijn lasteraars ten spijt.
Wil mij niet aan de moedwil overgeven
van wie als vals getuige mij bestrijdt.
Wees mij nabij, behoed mij in gevaar,
geef mij niet prijs aan de geweldenaar;
gedoog niet dat de leugen overwint
van wie bedreigt, altijd op misdaad zint.

6. O, was mij niet het vast geloof gebleven,
dat ik het heil des Heeren smaken zou,
had ik dit niet ervaren in mijn leven,
o, als ik niet geloofd had aan Zijn trouw!...
Wacht op de Heer, wees sterk, heb goede moed.
Wees niet bevreesd, want Hij maakt alles goed;
zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer:
wacht dan , ja wacht, blijf hopen op de Heer.


Psalm 28
1. O Heer, U smeek ik om ontferming;
bij U, mijn rots, zoek ik bescherming.
Wend U niet af in drukkend zwijgen
nu onrechtvaardigen mij dreigen;
want, geeft Gij van Uw hulp geen blijk,
aan doden word ik dan gelijk.

2. Hoor als ik roep en luid blijf smeken,
ik ben door angst bijna bezweken.
Mijn handen houd ik opgeheven,
wil uit Uw woonplaats antwoord geven.
O, neig tot mij in gunst Uw oor
en zwijg toch niet, geef mij gehoor.

3. Ruk mij niet weg met goddelozen,
noch met bedrijvers van het boze,
zie hen als vriend met naasten spreken,
terwijl hun hart vol zit met streken.
Doe Gij hen naar hun boze daad:
geef hun verdiende loon naar kwaad.

4. Omdat zij op het werk des Heeren
niet letten, noch Zijn daden eren
en blind voor wat Zijn hand bewerkte
straft Hij en toont Hij hen Zijn sterkte:
Hij breekt hen af en werpt ze neer
en Hij herbouwt hen nimmermeer.

5. Loof blij de Heer, die op mijn smeken
een helpend hoorder is gebleken.
De Heer, mijn kracht en schild in lijden
heb ik vertrouwd toen ik moest strijden.
Nu juicht mijn hart nu juicht mijn stem
en met mijn loflied prijs ik Hem.

6. De Heer zal sterken wie Hem vrezen,
een bolwerk Zijn gezalfde wezen.
Voer zelf Uw volk de vrijheid tegen
en geef Uw erfdeel dan Uw zegen.
Weid hen die door U zijn bevrijd
en draag hen nu en voor altijd.


Psalm 29
1. Hemelingen, prijst uw Heer.
Huldigt Hem en brengt Hem eer.
Looft Zijn naam met grote vreugd
om Zijn heerlijkheid en deugd.
Wilt, gij engelen, u buigen,
deze Heer uw roem betuigen
om Zijn macht, Zijn grote daden.
Tooit u dan met feestgewaden.

2. Ver rolt over zeen uit
s Heeren machtig stemgeluid,
Hij, de God der heerlijkheid,
spreekt door donder wereldwijd.
Hoog boven t geweld der meren
weerklinkt luid de stem des Heeren.
Ja, des Heeren stem is krachtig,
vol van glorie, wondermachtig.

3. Door des Heeren stemgeweld
worden cederen geveld,
als Hij aan de bergen wrikt
en de Libanon verschrikt,
hen met kruin en oude stammen
dansen doet als jonge rammen;
door natuurgeweld geschrokken
springt de Hermon zoals bokken.

4. In dat angstverwekkend uur
klieft Zijn stem felvlammend vuur.
Steppen sidderen voor Hem;
Kades beeft voor s Heeren stem.
Hinden werpen noodgedwongen
op de stem des Heeren, jongen.
s Heeren stem ontschorst de bomen
heeft hun luister hen ontnomen.

5. Maar elk zegt in Zijn paleis:
Eer aan Hem tot lof en prijs!
Van Zijn troon af zag de Heer
op de watervloeden neer.
Eeuwig troont de Heer als Koning,
steunt Zijn volk in gunstbetoning.
Want de Heer deelt sterkte mede;
zegent heel Zijn volk met vrede.


Psalm 30
1. U loof ik, Heer, met hart en mond:
ik dank U, die mij redding zond;
want toen U mij Uw uitkomst bood
en optrok uit mijn diepe nood,
kon zich mijn vijand niet verblijden,
geen vreugde scheppen in mijn lijden.

2. U, Heer, mijn God, hielp op mijn klacht:
U hebt genezing mij gebracht.
Want Gij hebt mij, door leed gedrukt,
als aan de dood zelfs weer ontrukt.
Nieuw leven hebt Gij mij geschonken:
ik ben niet in het graf gezonken.

3. Gij gunstgenoten van de Heer,
psalmzingt Zijn heiligheid tot eer.
Want, even maakt Zijn toorn ons bang,
Zijn gunst duurt een heel leven lang;
komt s avonds het geween vernachten,
gejuich zal ons des morgens wachten.

4. Ik dacht in zelfverzekerdheid:
Ik wankel niet in eeuwigheid.
Uw gunst, Heer, was de vaste grond,
waarop mijn berg onwrikbaar stond.
Toen was Uw aangezicht verborgen-
ik stond verbijsterd, vol van zorgen.

5. Tot U Heer, riep ik in mijn nood:
Wat voordeel ligt er in mijn dood?
Meld ik Uw trouw nog en Uw lof,
als ik daar neerlig in het stof?
Heer, wil genadig aan mij denken,
hoor mij, o Heer, wil redding schenken.

6. U hebt mijn rouwklacht en geschrei
veranderd in een blijde rei;
mijn rouwkleed hebt Gij weggedaan,
een feestgewaad trekt Gij mij aan,
opdat ik U zou eer bewijzen.
Ik zal U, Heer, mijn God, steeds prijzen.


Psalm 31
1. Bij U, o Heer zoek ik bescherming;
beschaam mijn hoop dan niet
als U mijn noden ziet.
Hoor mijn gebed, toon snel ontferming.
Wil uitkomst mij bereiden,
mij naar Uw recht bevrijden.

2. Toon U een bolwerk, hecht en machtig
voor hem die op U bouwt,
een rots tot zijn behoud.
Uw naam tot eer steunt Gij mij krachtig.
U voert en leidt mij verder
als mijn getrouwe Herder.

3. Want Gij, mijn burcht, Gij breekt mijn banden,
U trekt mij uit elk net,
verborgen uitgezet.
Mijn geest beveel ik in Uw handen.
U zult mij van mijn lijden,
Heer, trouwe God, bevrijden.

4. Ik haat wie nietig stof hoog eren:
nu juich ik, U tot eer;
ik toch steun op de Heer.
Vol vreugd zal ik mij tot U keren
en luid Uw gunstbewijzen,
Uw milde goedheid prijzen.

5. U hebt geweten van mijn zuchten,
U hebt mij trouw bewaard,
voor vijanden gespaard,
U deed uit engten mij ontvluchten.
Ik mocht met lichte schreden
door U in ruimte treden.

6. Heer, laat genadig Uw licht schijnen,
daar ik, beangst door strijd,
mijn jaren zuchtend slijt.
Heel mijn bestaan is aan het kwijnen.
Mijn ongerechtigheden
doen dorren lijf en leden.

7. Ik ben tot smaad voor wie mij haten:
het schrikbeeld dat men vreest,
voor buren allermeest.
Ik word gemeden op de straten,
voor dood verklaard, vergeten,
als scherven weggesmeten.

8. Want velen spannen vol haat samen
met roddel, waar ik kom;
- verschrikking is rondom -;
op mij gericht is hun beramen;
ik ben, zo is hun streven,
ten dode opgeschreven.

9. Maar, Heer, ik weet: Gij zult mij leiden.
Ik zeg: U bent mijn God;
Uw wil bepaalt mijn lot.
In Uw hand immers zijn mijn tijden.
Doe mijn vervolgers bukken;
wil uit hun hand mij rukken.

10. Doe Uw gelaat aan Uw knecht lichten.
Sta door Uw gunst mij bij;
maak mij genadig vrij.
Heer, doe mij niet vol schaamte zwichten.
Tot U roep ik om bijstand
ten afweer van mijn vijand.

11. Maar doe uit schaamte elk zich krommen
die, trots en goddeloos,
de dood voor t leven koos.
Laat in het graf hun tong verstommen
wie vromen trots bestrijden,
bespotten in hun lijden.

12. Hoe groot is t goed dat Gij wilt geven
wie vol ontzag, U mint,
bij U zijn schuilplaats vindt,
dat Gij bewaart, reeds in dit leven
en hoe zij mij verwensen
schenkt voor het oog der mensen.

13. U wilt voor hen een toevlucht wezen,
verbergt hen in Uw licht
nabij Uw aangezicht,
waar zij geen samenscholing vrezen;
want in Uw hut geborgen
baart laster hen geen zorgen.

14. Prijs dan de Heer, die Zijn genade
in grote angst en vrees
mij wonderbaar bewees.
Ik dacht: U slaat mij nooit meer gade;
toen hoorde U mijn smeken,
liet Uw hulp niet ontbreken.

15. Heb lief de Heer die u zal helpen:
Hij hoedt wie Hem trouw dient
als gunstgenoot en vriend.
Zijn wraak zal trotsen overstelpen.
Houdt moed, blijf al uw krachten
steeds van de Heer verwachten.


Psalm 32
1. Gezegend hij, wiens zonde is vergeven,
wiens kwaad bedekt is, dat hij heeft bedreven;
hem die de Heer van alle schuld ontslaat
en in wiens geest er geen bedrog bestaat.
Zolang ik zweeg ging al mijn kracht verloren,
heel de dag door liet ik gejammer horen;
want dag en nacht woog zwaar op mij Uw hand,
ik droogde uit, zoals een dorstig land.

2. Mijn zonde heb ik u oprecht beleden
en niet verheeld mijn ongerechtigheden.
Ik zei: De Heer belijd ik al mijn kwaad
en U vergaf mijn schuld, mijn boze daad.
Dat, als Gij u laat vinden elke vrome,
daarom in zijn gebeden tot U kome;
watergeweld, zeer hoog van storm en vloed,
bereikt hem niet, want hij wordt trouw behoed.

3. Ik mag bij U, temidden van gevaren
geborgen zijn, U wilt mijn leven sparen;
ben ik benauwd- mijn redding is nabij,
omringt door zang en jubel helpt Gij mij.
Ik raad u: Zet uw voet op rechte paden,
mijn oog op u geeft raad in al uw daden;
laat niet voor u veel dwang van toom en lijn.
zoals voor paard en muildier, nodig zijn.

4. Veel smart zal loon voor goddelozen wezen.
maar vreugd wacht hem die trouw de Heer zal vrezen.
Wie Hem vertrouwt, ootmoedig schuld belijdt,
ziet zich omringt door Zijn goedgunstigheid.
Rechtvaardig volk, vindt in de Heer uw vreugde,
toont hoe Zijn trouw, Zijn goedheid u verheugde.
Zingt met gejuich, wilt blij zijn in de Heer,
al wie oprecht wil leven tot Zijn eer.


Psalm 33
1. Oprechten, prijst de naam des Heeren,
rechtvaardigen, Hem past uw dank.
psalm zingt de Heer en wilt Hem eren,
met jubelzang en citerklank.
Looft Hem op gitaren,
zingt bij harp en snaren
Gode een nieuw lied.
Blaast op uw trompetten,
wilt op schoonheid letten
als u Hem lof biedt.

2. Waarachtig is het woord des Heeren,
Zijn werk geeft van Zijn trouw steeds blijk;
gerechtigheid is Zijn begeren,
Zijn gunst maakt heel de aarde rijk.
t Hemelruim hierboven,
dat Zijn macht wil loven,
schiep Hij door Zijn woord;
sterren die daar stralen
en Zijn roem verhalen,
bracht Zijn adem voort.

3. Hij stuwt de zeen op tot wanden
veel water wordt door Hem vergaard;
het kolkend diep legt Hij aan banden,
als voorraadschuur door Hem bewaard.
Wie op aarde wonen
moeten eerbied tonen,
vrees voor s Heeren macht;
want, Hij gaf een teken,
Hij had maar te spreken
en t werd voortgebracht.

4. Wat ooit de volkeren bedachten,
de Heer verbreekt het door Zijn hand.
Wat Hij beschikt, omspant geslachten,
des Heeren raad houdt eeuwig stand.
Zalig moet men heten
t volk dat zich mag weten
in de Heer, hun God;
dat, door Hem verkoren,
God mag toebehoren,
tot hun hoogst genot.

5. De Heer, de Schepper aller dingen
beziet vanuit het hemels licht
de gang van alle stervelingen,
niets is bedekt voor Zijn gezicht.
Hij vormt aller harten,
kent hun vreugd en smarten,
weet hoe mensen zijn.
Hij doorgrondt hun daden,
weet wat zij beraden,
kent hen, groot en klein.

6. Geen koning kan zichzelf bevrijden
door legermacht of door geweld.
Geen paard, hoe sterk ook bij het strijden,
geeft overwinning aan een held.
Weet, de Heer slaat gade
hen, die Zijn genade
hopen doet in nood
en om hen te sparen
zal Hij ze bewaren
voor de hongerdood.

7. Het is de Heer die wij verwachten,
Hij, onze hulp, die voor ons strijdt;
ons Schild, de bron van onze krachten,
hoe is ons hart in Hem verblijd.
Door Zijn naam, zo heilig,
weten wij ons veilig,
want Hij staat ons bij.
Heer, wees ons genadig,
zegen ons gestadig,
op U hopen wij.


Psalm 34
1. Ik loof de Heer altijd.
Steeds zingt mijn mond Zijn lof, Zijn eer,
ja, ik beroem mij op de Heer
en prijs Zijn hoog beleid.
Ootmoedig volk in nood
mag zich verheugen altezaam.
Verheft met mij des Heeren naam,
want die alleen is groot.

2. Tot Hem hief ik mijn stem;
ik zocht de Heer in mijn gebed,
Hij heeft verhoord, ja mij gered;
mijn angst verdween bij Hem.
Hun oog. op Hem gericht,
ziet naar omhoog en straalt van vreugd;
nooit dekt, daar Hij hun hart verheugt,
schaamrood hun aangezicht.

3. Ellendig wist ik mij;
ik riep in nood de Heer toen aan;
Hij heeft gehoord, mij welgedaan;
ik ben van angsten vrij.
Des Heeren engel redt
wie met ontzag Zijn wet betracht.
Zijn heldenschaar heeft Hij als wacht
rondom hem uitgezet.

4. Ervaart het nu en ziet
hoe goed de Heer is dag aan dag;
zalig wie bij Hem schuilen mag,
Zijn rijke gunst geniet.
Gij heilgen, vreest de Heer;
ziet hoe de leeuw wel honger lijdt.
Maar wie de Heer zoekt, Hem verbeidt,
hem ontbreekt nooit iets meer.

5. Komt, kindren, hoort naar mij,
opdat gij s Heeren vreze leert.
Wie van u is het die begeert
veel dagen, goed en blij?
Houdt dan, hoe het ook ga,
uw tong in toom, pleegt geen verraad.
Maar doet het goede, haat het kwaad
en jaagt de vrede na.

6. De Heer ziet vromen aan,
toont hun Zijn vriendelijk gelaat.
Maar wie zich toelegt op het kwaad
doet Hij voorgoed vergaan.
Doch elk die in gebed
Hem aanroept, pleitend op Zijn woord,
wordt aanstonds door de Heer verhoord,
uit al zijn angst gered.

7. De Heer is t schreiend hart
en wie verslagen zijn van geest,
altijd nabij en goed geweest,
redt hen uit angst en smart.
Veel rampen en veel leed
zij treffen wie rechtvaardig is.
Maar Hij, de Heer, redt hem gewis,
staat tot zijn hulp gereed,

8. Hij is het, die niet duldt
dat hem een been gebroken wordt,
een boze macht zich op hem stort
die hem met vrees vervult.
De boze sterft door kwaad,
door t onheil dat hij heeft gesticht;
zijn straf krijgt hij door t hoogst gericht
omdat hij vromen haat.

9. De Heer verlost en spaart
Zijn knecht die vast op Hem vertrouwt.
Al wie bij Hem schuilt, op Hem bouwt,
wordt vrij van schuld verklaard.


Psalm 35
1. Strijd tegen mijn bestrijders, Heer.
Stel U geducht voor mij teweer;
grijp schild en wapens tot bescherming,
sta op en toon mij Uw ontferming.
Trek met Uw speer en strijdbijl uit,
zorg dat hun opmars wordt gestuit
en zeg tot mij in al mijn leed:
Ik ben uw heil, Ik sta gereed.

2. Laat wie mij naar het leven staat
te schande worden met zijn haat;
wil hen doen deinzen en beschamen
die onheil tegen mij beramen.
Laat hen als kaf zijn voor de wind
wanneer hen s Heeren Engel vindt;
hun weg zij steil, duister en glad
als Hij hen najaagt op hun pad.

3. Want zonder oorzaak was hun net
voor mij onzichtbaar opgezet;
zij legden listig hinderlagen
om levend mij daarin te jagen.
Doch ongemerkt en onverwacht
zij over hen verderf gebracht
zodat hun voet gevangen raakt
in t blinde net, voor mij gemaakt.

4. Maar juichend roem ik in de Heer;
mijn Redder geef ik dankbaar eer.
Vol lof getuigt geheel mijn wezen:
Wie is als U, o Heer te vrezen?
Door U komt de verdrukte vrij
van hem die sterker is dan hij.
De zwakke redt Gij door Uw kracht
van wreed geweld en overmacht.

5. Misdadig word ik aangeklaagd
en onder dwang scherp ondervraagd.
Zelfs willen zij mij schuldig heten
aan dingen die ik niet kan weten.
Men koelt aan mij hun felle haat,
vergeldt het goede mij met kwaad.
Zij allen gaan trots van mij heen
en als verweesd blijf ik alleen.

6. Ik echter, met hun leed begaan,
deed t rouwkleed bij hun ziekte aan.
Ik heb, door vasten en gebeden
mij zelf gekweld, met hen geleden.
Alsof mijn vriend of broer daar lag
ging ik in t zwart, de hele dag.
Ik boog mij neer in smart, zo groot
als van wie rouwt om moeders dood.

7. Nu wankel ik, hoe lachen zij;
die ik niet ken, omstuwen mij.
Vechtlustig heffen zij de handen,
zij lasteren en knarsetanden.
Hoe lang Heer, laat Gij hen begaan?
Val hen om hun vernielzucht aan.
Eenzaam ben ik; laat mij geen buit
van leeuwen zijn, maar red mij uit.

8. Met velen loof ik dan Uw naam,
met heel veel volk, zeer talrijk saam.
Laat niet wie mij zo vals bestrijden
knipogend zich om mij verblijden.
Van vrede wars toont hun beraad
aan stillen in het land, hun haat.
Zij schreeuwen mij toe bovendien:
Ha, ha! Ons oog heeft het gezien.

9. Gij hebt het Heer, gezien, ja Gij,
o Heer, zwijg niet: wees mij nabij.
Ontwaak en wil mijn zaak berechten;
wil die, mijn God en Heer beslechten.
Voer, Heer mijn God, voor mij het pleit;
richt mij naar Uw gerechtigheid.
Geef dat om mij, in nood geraakt,
geen van hen zich ooit vrolijk maakt.

10. Ook zegge geen vijandig mens:
Ha, ik verkreeg mijn hartewens!
Mijn eigen hand heeft hem gevonden,
ik heb hem door mijn macht verslonden!
Leid mij zo, dat elk schaamrood wordt
die juicht als rampspoed op mij stort;
ja zo, dat smaad en schande treft
wie tegen mij trots zich verheft.

11. Juicht, al wie bij mijn rechtsgeding
uitziet naar mijn rechtvaardiging;
dit is bij voortduur hun verlangen,
dan klinken blij hun lofgezangen:
De Heer is waarlijk groot en recht,
Zijn lust is redding voor Zijn knecht.
Zo wordt aan Uw rechtvaardigheid
van dag tot dag mijn lof gewijd.


Psalm 36
1. De zonde spreekt haar listig woord
in hem die zich aan God niet stoort,
van godsvrucht is verlaten.
Het is de zonde die hem vleit,
tot men zijn ongerechtigheid
ontdekt en die zal haten.
Onheil en leugen spreekt zijn mond;
al wat hij denkt is ongegrond,
hij weigert goed te handlen.
Hij die bij nacht zijn plan beraamt
geen kwaad verwerpt, gaat onbeschaamd
op slechte wegen wandlen.

2. Uw gunst, o Heer is hemelhoog,
Uw trouw rijst op voor ieders oog,
Uw recht is als Gods bergen.
Uw oordeel is een sterke vloed,
U, Heer, die mens en dier behoedt,
straft allen die U tergen.
U houdt in Uw goedgunstigheid,
o God, Uw vleugels uitgebreid,
die mensen schaduw geven;
wie in Uw huis geborgen is,
vindt bij Uw liefde lafenis,
verkwikking, kracht en leven.

3. Want bij U is de levensbron,
Uw licht doet stralend als de zon,
ons hemels licht aanschouwen.
Geef, wie U kent, Uw gunst altijd,
oprechten Uw gerechtigheid
met vast geloofsvertrouwen.
Weer van mij toch de trotse voet
en geef dat ik niet vluchten moet
voor goddeloze handen.
Maar zie, daar storten zij al neer,
en opstaan kunnen zij niet meer:
zij sterven in hun schande.


Psalm 37
1. Wees niet jaloers op hen die onrecht plegen,
wacht u, dat gij wie kwaad doen, ooit benijdt.
Want zoals gras verdort dat smacht naar regen,
zijn zij als kruid verwelkt na korte tijd.
Vertrouw de Heer, doe goed op al uw wegen;
woon in uw land, door goede trouw geleid.

2. Vind in de Heer toch al uw lust en leven;
uw hartewens wordt dan door Hem vervuld.
Wil heel uw weg de Heer in handen geven;
Hij maakt het wel- verwacht Hem met geduld.
Dan wordt uw recht voor ieders oog verheven,
klaar als de dag door Hem met licht onthuld.

3. Wees voor de Heer dan stil, blijf Hem verwachten;
wees nooit jaloers op wie in weelde baadt,
wiens listen hem tot boze daden brachten;
weerhoud uw toorn, die leidt tot louter kwaad;
ban afgunst uit, weer alle wraakgedachten,
want God delgt uit wie Hem in boosheid haat.

4. Maar wie de Heer verwachten zullen erven
het goede land dat Hij aan vromen schenkt.
Let op nog kort- dan zal de boze sterven,
zijn plaats is leeg, niet n die aan hem denkt.
Ootmoedig volk mag dan het land berven
waar volle vreugd en grote vrede wenkt.

5. De boze smeedt al knarsetandend plannen
om in zijn haat rechtvaardigen te slaan
en weerlozen en armen uit te bannen.
De Heer bespot hem, want zijn dag breekt aan
dat Hij de boog breekt die de bozen spannen,
hun eigen zwaard zal in hun harten gaan.

6. Veel beter dan de rijkdom van veel bozen
is t weinige van wie rechtvaardig leeft;
want breken zal de arm van goddelozen,
maar t is de Heer die vromen sterkte geeft.
Hij steunt hen die Zijn rechte wegen kozen,
schraagt wie op Hem zijn hoop gevestigd heeft.

7. De Heer toch kent der vromen levensdagen;
hun erfdeel blijft voor altijd welbewaard;
in boze tijd, dan niet beschaamd, verslagen,
blijft hun het leed van hongersnood bespaard.
In rook vergaan wie naar de Heer niet vragen,
zoals de pracht verdwijnt van veld en gaard.

8. De boze leent om alles zelf te houden,
maar wie oprecht is geeft, scheldt schulden kwijt.
Wie door de Heer gezegend, op Hem bouwen,
erven het land, dat Hij hun heeft bereid;
maar wie Hij vloekt hen zal Zijn toorn benauwen
en uitgeroeid wordt elk die Hem bestrijdt.

9. De Heer zal aan de schreden vastheid geven
van hem wiens weg en wandel Hem behaagt;
wanneer hij valt het kost hem niet het leven;
hij stort niet neer in t kwaad dat hem belaagt.
Zou hem de schrik een ogenblik doen beven,
vast wordt zijn hand dan door de Heer geschraagd.

10. Eens was ik jong nu ben ik oud van dagen:
geen vrome zag ik eenzaam in zijn nood;
zijn nageslacht moest nooit van honger klagen,
hun kind zag ik nooit bedelen om brood;
wie zich ontfermt en leent aan wie hem vragen,
diens nageslacht brengt zegen, rijk en groot.

11. Wijk van het kwaad, wil u aan t goede wijden,
dan blijvend woont gij op uw grondgebied;
want in het recht wil zich de Heer verblijden
en Hij verlaat Zijn gunstgenoten niet.
Als erfenis wil Hij hun t land bereiden,
het nageslacht der bozen gaat teniet.

12. Wijs is het woord gesproken door de vrome,
zijn mond spreekt recht, Gods wet is in zijn hart;
hij wankelt niet, de Heer doet hem ontkomen
aan wie hem haat en zelfs ter dood toe tart;
vrij spreekt de Heer wie toevlucht heeft genomen
tot Hem, die richt en weet van al zijn smart.

13. Wacht op de Heer en wil Zijn weg bewaren;
want dan erft gij, door Hem verhoogd, het land;
u zult verdelgd zien de geweldenaren.
Ik zag zo een als sterke woekerplant;
ik zelf en die voorbijgekomen waren,
wij zochten hem vergeefs: hij hield geen stand.

14. Wil toch op hen die vroom, oprecht zijn, letten,
hun vrede duurt tot ver in t nageslacht;
maar wie zich niet houdt aan des Heeren wetten,
worden met heel hun nakroost omgebracht.
Doch s Heeren arm redt uit der bozen netten,
wie schuilt bij Hem, zijn heil van Hem verwacht.


Psalm 38
1. Wil mij niet in toorn kastijden,
noch doen lijden;
straf mij niet in gramschap, Heer.
U hebt pijlen die mij wondden
uitgezonden
en Uw hand kwam op mij neer.

2. Want Uw toorn heeft, fel ontstoken,
mij gebroken
mij van al mijn kracht beroofd.
Zondenlast heeft mij bedolven,
gaat als golven
al te zwaar mij over t hoofd.

3. Afschuwwekkend zijn mijn wonden,
om mijn zonden,
door mijn dwaas en boos gedrag.
Ik ga zeer terneergebogen
voor Uw ogen,
diep in rouw de hele dag.

4. Want mijn lenden zijn ontstoken,
als gebroken
zijn mijn leden door mijn smart.
Hoor mij, uitgeput door slagen,
brullend klagen,
want fel bonkend klopt mijn hart.

5. Heer, voor U ligt alles open;
al mijn hopen,
mijn verlangen en mijn leed.
Voor Uw oog zijn al mijn zorgen
niet verborgen,
daar U alles ziet en weet.

6. Fel slaandgaat mijn hart bezwijken,
krachten wijken;
in mijn ogen dooft het licht.
Vrienden zijn niet meer te vinden
mijn beminden
staan zelfs ver uit mijn gezicht.

7. Vijanden staan naar mijn leven:
zie mij beven
voor hun strik, gezet voor mij.
Heel de dag spannen zij samen
en beramen
onheil door bedriegerij.

8. Maar ik sluit mijn mond en oren,
wil niet horen,
van verweer voor al hun spot.
Want, Heer, ik blijf in mijn klachten
U verwachten,
daar U antwoordt, Heer, mijn God.

9. Ik dacht: Laat zich niet verheugen
wie niet deugen
en niet snoeven mij tot smaad.
Groot is d' angst om uit te glijden;
zwaar mijn lijden
dat steeds mij voor ogen staat.

10. Ik belijd mijn schuld en zonden,
die mij schonden,
zeer bekommerd om mijn kwaad.
Maar ik zie mijn vijand krachtig,
oppermachtig,
die mij kwelt, zijn gangen gaat.

11. Velen die mij eerloos haten,
onverlaten
smaden mij met hoon en vloek;
die mij kwaad voor goed vergelden
en mij schelden
omdat ik het goede zoek.

12. Wil, o Heer, mij niet begeven,
red mijn leven;
blijf, mijn God, niet ver van mij.
Haast U, kom mij uit mijn lijden
snel bevrijden,
want, Heer, al mijn heil zijt Gij.


Psalm 39
1. Ik nam mij voor, nauwkeurig acht te slaan
op heel mijn weg, op ieder woord:
Ik zal mijn tong met zorg betomen gaan,
zolang de boze mij nog hoort.
Zo zweeg ik stil, verstomd in al mijn smart,
maar zonder vrede in mijn hart.

2. Doch toen ik zweeg werd feller nog mijn smart;
diep binnen in mij laaide vuur;
en zuchtend kwam er uit mijn gloeiend hart:
O Heer, toon mij mijn stervensuur,
dat ik de maat van al mijn dagen ken;
weet, hoe vergankelijk ik ben.

3. U stelde zelf een grens aan mijn bestaan:
een handbreed is mijn levenstijd;
als in een droom zie ik de mensen gaan,
zoals een schaduw die verglijdt:
een ademtocht en al wat hij verwerft,
wie zal het nemen als hij sterft?

4. En nu, wat is het Heer, dat ik verwacht?
Ik hoop op U in al mijn leed.
Hoed mij voor smaad van hem die U veracht;
red mij van al wat ik misdeed.
Ik ben verstomd, ik zwijg nu en voortaan,
want Gij, Gijzelf hebt het gedaan.

5. Weet, ik bezwijk, keer Gij Uw plaag toch af;
te zwaar is mij Uw hand die slaat.
Treft Gij de mens om zonden met Uw straf:
t is pracht die door de mot vergaat.
Het mensenkind, al is het arm of rijk,
is aan een ademtocht gelijk.

6. Hoor mijn gebed, mijn hulpgeroep, o Heer,
zwijg niet bij al mijn luid geween,
daar ik bij U als vreemdeling verkeer,
zoals mijn voorouders voorheen.
Neem weg Uw straf, dat ik weer vreugde ken,
voordat ik heenga, niet meer ben.


Psalm 40
1. Ik heb de Heer met heel mijn hart verwacht
en lang mijn hoop op Hem gezet:
Hij boog zich neer, heeft mij gered
en hoorde uit de modderpoel mijn klacht.
Daar, in die kuil gezonken,
heeft Hij mij hulp geschonken,
Hij trok mij uit het slijk:
deed op een rots mij staan,
op vaste grond mij gaan,
gaf van Zijn gunst mij blijk.

2. Hij gaf aan mij een nieuw lied in de mond:
een lofzang, onze God tot eer.
Laat ieder die dit ziet, de Heer
thans vrezen, die mij zo terzijde stond.
Gelukkig wie vertrouwend,
op deze Heer steeds bouwend,
Hem als zijn sterkte kent.
Welzalig, wie geen kracht
van list en leugen wacht,
zich niet tot trotsen wendt.

3. O Heer, mijn God, hoe meld ik met mijn mond
Uw wonderen, oneindig rijk?
Wie is op aarde U gelijk?
Wie is het die Uw grootheid ooit doorgrond?
In offers, opgedragen
hebt U geen welbehagen:
U vraagt gehoorzaamheid.
U gaf, opdat ik hoor
mij een geopend oor,
k ben tot Uw dienst bereid.

4. U hebt nooit brand- en zondoffers begeerd.
Zie, hier ben ik, zo sprak ik toen,
nu kom ik om Uw wil te doen;
gehoorzaamheid hebt U mij zelf geleerd.
In Uw boek staat geschreven,
dat ik voor U zal leven,
van mij getuigt de Schrift.
Ik doe met lust, mijn God,
Uw wet, Uw wijs gebod,
t is in mijn hart gegrift.

5. Ik heb Uw heil bij heel het volk verbreid,
zie, ik weerhoud mijn lippen niet;
U weet het, Heer, die naar mij ziet;
mijn hart verbergt nooit Uw gerechtigheid.
U wilde voor mij zorgen,
dat houd ik niet verborgen,
maar roem Uw heil en trouw;
ik prijs in t openbaar,
Uw gunst, die ik ervaar
en in Uw hulp aanschouw.

6. Toon mij Uw gunst, o Heer en sta mij bij,
onthoud niet Uw barmhartigheid,
Uw trouw behoede mij altijd,
want zonder tal omringen rampen mij.
Mijn zonden die mij kwellen
zijn moeilijker te tellen
dan haren op mijn hoofd.
Ik overzie ze niet;
mijn hart breekt van verdriet,
mijn moed is mij ontroofd.

7. O Heer, verhoor en red mij, zie mij aan;
bied haastig hulp, de nood is groot.
O Heer, men hunkert naar mijn dood;
maak hen beschaamd die mij naar t leven staan.
Laat wie mijn val beramen,
nu vluchten altezamen,
afdeinzen vol van schrik.
Laat elk die mij belacht,
tot zwijgen zijn gebracht
als in een genblik.

8. Laat wie U zoekt, verheugd zijn, U tot eer;
laat juichen wie Uw heil bemint.
Van wie in u zijn blijdschap vindt
zij dag op dag de roep: Groot is de Heer!
Al ben ik diep ellendig,
Hij denkt aan mij bestendig
al is het mij zeer bang.
Trouw zorgt de Heer voor mij;
Mijn Redder dat zijt Gij.
Mijn God, wacht niet zo lang.


Psalm 41
1. Gelukkig wie aan zwakken aandacht wijdt,
in nood redt hem de Heer;
behoeden zal Hij hem in onheilstijd,
hij krijgt op aarde eer.
Zijn vijand geeft Gij hem niet prijs, want Gij
laat hem niet ondergaan.
Op t ziekbed steunt de Heer hem en brengt Hij
een keer ten goede aan.

2. Ik zei: O Heer, zie mij genadig aan
en geef dat ik herstel;
want tegen U alleen heb ik misdaan,
mijn vijand hoont mij fel.
Hij zegt: Hoe lang nog duurt het eer zijn naam
met hem in t graf vergaat?
Wie mij bezoekt, diens hart gaart leugens saam
die hij vertelt op straat.

3. Elk die mij haat merkt op hoe ziek ik word,
men fluistert op de straat:
Een kwaal, heel erg, is op hem uitgestort,
waardoor hij sterven gaat.
Mijn vriend ging heen, die mijn vertrouwen had:
met hem brak ik mijn brood.
Zelfs werd hij me tot vijand en vergat
wat vriendschap hij genoot.

4. Maar geef mij Heer, genadig nieuwe kracht,
opdat ik hen vergeld.
Mij blijkt Uw gunst wanneer geen vijand lacht
en juicht om wat mij kwelt.
Mocht ik door U weer worden opgericht,
daar ik onschuldig lijd;
daarom stelt Gij mij voor Uw aangezicht
van nu en voor altijd.

5. Komt, prijst de Heer, de God van Isral
van eeuw tot eeuw tezaam.
Eert Hem, roemt Hem om Zijn volmaakt bestel,
ja, amen, looft Zijn naam


Psalm 42
1. Als een hinde, schier bezweken,
hijgend smacht naar t groot genot
van de koele waterbeken,
zo smacht ik naar U, o God.
Ja, ik dorst bij dit gemis
naar God die het leven is:
wanneer mag ik met de Zijnen
voor Gods aangezicht verschijnen?

2. Want door tranenbrood te eten
word ik dag en nacht verteerd,
men wil aldoor van mij weten:
Waar is God, door u vereerd?
Doch terwijl mijn hart zo schreit,
denk ik aan die schone tijd,
toen ik vooraan bij de zangers
feest hield met Gods tempelgangers.

3. Waarom ben ik zo verslagen,
zo onrustig en bevreesd,
hoop op God, Zijn heil zal dagen,
is Hij niet mijn steun geweest?
Daarom zal ik, trots verdriet,
Hem nog loven in mijn lied,
in mijn God mij weer verblijden;
mijn Verlosser zal bevrijden!

4. Neergebogen, vol verlangen
heel ver weg van waar U woont,
houden bergen mij gevangen
waar Uw heerlijkheid niet troont.
Watervloed roept watervloed,
stort mij bruisend tegemoet;
en heeft kolkend mij bedolven,
al Uw baren, al Uw golven.

5. Maar de Heer zal mij bewijzen
Zijn genade elke dag;
om die gunst zal ik Hem prijzen
wat mij ook benauwen mag.
Ja, voor Hem, die ik verwacht,
klinkt mijn lied zelfs in de nacht;
ik houd mijn gebed geheven
tot de God van heel mijn leven.

6. Ik wil God, mijn steenrots vragen:
Waarom toch vergeet Gij mij?
Moet ik steeds het rouwkleed dragen
om des vijands heerschappij?
Heel de dag is hun getart
als een doodsteek in mijn hart:
Waar is God op wie u bouwde,
aan wie u zich toevertrouwde?

7. Waarom ben ik zo verslagen,
zo onrustig en bevreesd,
hoop op God, Zijn heil zal dagen,
is Hij niet mijn steun geweest?
Daarom zal ik, trots verdriet,
Hem nog loven in mijn lied,
in mijn God mij weer verblijden;
mijn Verlosser zal bevrijden!


Psalm 43
1. Doe mij, o God, mijn recht aanschouwen,
een volk kwelt mij dat U veracht,
dat op bedrog en list wil bouwen
en stelt in onrecht zijn vertrouwen.
Laat mij ontkomen aan hun macht,
het kwaad, door hen bedacht.

2. Want ik steun op Uw mededogen,
U bent de toevlucht van mijn hart.
Waarom verstoot Gij uit Uw ogen
mij, onderdrukt en neergebogen?
Waarom ga ik in somber zwart,
door vijanden getart?

3. Kom Gij mij van onhoog bevrijden
en zend Uw trouw toch en Uw licht,
die naar Uw heilge berg mij leiden,
plaats in Uw woningen bereiden.
Geef dat ik door U opgericht
kom voor Uw aangezicht.

4. Dan mag ik gaan tot Gods altaren,
met lofzang aan mijn God gewijd,
dan zal ik daar Uw heil ervaren,
aan citerspel mijn jubel paren
voor U, o God, die voor mij strijdt,
mijn God, die mij bevrijdt!

5. Waarom ben ik dan zo verslagen,
waarom ontrust mij hoon en spot?
Blijf hopen op Gods welbehagen:
Hij doet mij weldra redding dagen.
Dan loof ik Hem: Hij wendt mijn lot,
mijn Redder en mijn God!


Psalm 44
1. Hoe mochten wij met eigen oren
o God, van onze vaadren horen
Uw werk, aan hen vanouds gedaan
in dagen, lang voorbijgegaan.
Gij hebt veel volken met Uw hand
geteisterd en hen uitgedreven;
maar Uw volk dat hebt Gij geplant
ja, daaraan groei en bloei gegeven.

2. Want niet hun zwaard liet t land hen erven
en niet hun arm hen heil verwerven;
maar t was Uw hand, Uw arm en t licht
dat afstraalt van Uw aangezicht.
Uw rechterhand heeft hen bevrijd;
U had in hen een welbehagen.
O God, Gij die mijn Koning zijt,
wil Jakobs redding toch doen dagen.

3. Wij zullen in Uw naam vertreden
wie ons weerstaan, wie U bestreden;
want op mijn boog vertrouw ik niet;
t is niet mijn zwaard dat redding biedt.
Door U alleen werden wij vrij;
vol schaamte moesten haters beven.
In Godes naam slechts roemen wij,
om dag aan dag U lof te geven.

4. En toch hebt Gij ons nu verstoten;
smaad treft wie eens Uw gunst genoten;
U trekt niet met ons leger uit,
geeft haters al ons goed ten buit.
Als slachtvee geeft G' ons in hun macht;
verstrooit ons in de heidenlanden.
Die prijs heeft nimmer winst gebracht
waarvoor GUw volk liet in hun handen.

5. Door volken die rondom ons wonen
laat Gij ons ongehinderd honen;
spreekwoordelijk is onze smaad,
wij zijn geminacht en gehaat.
De schaamte tekent mijn gezicht,
mijn schande staat mij steeds voor ogen;
hun schimpwoord is op mij gericht
men toont zijn wraaklust onbewogen.

6. Al moest dit alles ons benauwen,
toch bleef ons hart op U vertrouwen;
wij loochenden nooit Uw verbond,
maar volgden U waar Gij ons zondt.
Toch voerde U ons in een streek,
waar, fel op aas, jakhalzen leven;
daar hebt Gij ons -de lichtglans week-
met schaduw van de dood omgeven.

7. Zo wij Gods naam niet meer vereerden,
van vreemde goden hulp begeerden,
dat was Gods ogen niet ontgaan,
die hartsgeheimen gadeslaan.
Maar nee, om U ter dood geleid,
acht men ons schapen om te slachten;
verstoot ons toch niet voor altijd!
Ontwaak en red wie U verwachten!

8. Waarom houdt Gij voor onze zorgen
Uw heilig aangezicht verborgen?
Waarom, Heer, slaapt Gij en vergeet
hoe hoog de nood is van ons leed?
In t stof buigt ons gezicht zich neer;
ons lijf blijft aan de aarde kleven.
Sta op en help ons als weleer,
wil ons genadig redding geven.


Psalm 45
1. Hoe trilt mijn hart een lied is daar geboren
en mijn gedicht laat ik een koning horen.
Hoor hoe mijn tong aan hem een loflied wijdt,
als een die schrijft met grote vaardigheid.
Hoe schoon bent u, o koning, hoog te loven,
u gaat in pracht elk mensenkind te boven;
bekoring rijst voor wat gij spreekt of denkt,
God is t die u Zijn zegen blijvend schenkt.

2. Gij held, gord aan uw zwaard en wees voorspoedig,
rijd dapper uit, vol luister, sterk en moedig;
groot wordt uw roem als u het pleit beslecht,
wanneer u strijdt voor ootmoed, trouw en recht.
Uw scherpe pijl zal alle volken treffen,
die in de strijd zich tegen u verheffen.
Uw troon, o god staat en verduurt de tijd,
uw scepter heerst in recht en majesteit.

3. U houdt van recht en haat de goddeloosheid;
U steld o God, Uw god daarom in hoogheid.
Meer dan welk vorst ook in een ander land
werd u gezalfd met olie door Zijn hand.
De specerij doet al uw kleren geuren,
paleismuziek klinkt door ivoren deuren;
prinsessen zijn geheel van u bekoord.
hier staat uw bruid, in goud uit Ofirs oord.

4. O dochter, hoor en zie naar hem, uw koning,
denk niet meer aan uw volk, uw vaders woning;
nu schept uw vorst behagen in zijn bruid:
zijn hele hart gaat naar uw schoonheid uit.
Hij is uw heer; buigt voor hem heel uw leven.
en t rijkste volk zal u geschenken geven;
zelfs Tyrus u zendt schatten van zijn kunst,
om aan uw hof te dingen naar uw gunst.

5. Zie nu de bruid, de koningsdochter, stralen,
in bruidsgewaad, met goud doorweven, pralen;
borduursel glanst en geeft haar grote pracht
en plechtig wordt zij tot de vorst gebracht.
Met eerbetoon omstuwd door jeugdvriendinnen,
door jonkvrouwen gevolgd die haar beminnen,
brengt met haar naar zijn koninklijk paleis
met vreugde en uitbundig eerbewijs.

6. Daar waar voorheen uw vaders mochten tronen,
daar zullen straks uw zonen blijvend wonen;
voor heel het volk stelt gij de vorsten aan,
zij mogen ook op hoge posten staan.
Ik zal uw naam vermelden al mijn dagen,
men zal van u geslachten lang gewagen;
ja, ieder volk bezingt, in u verblijd,
uw grote naam, hun loflied blijft altijd.


Psalm 46
1. God is een toevlucht, sterk en machig,
Hij hielp in alle nood ons krachtig.
Daarom grijpt ons geen vrees meer aan,
al week de aarde uit haar baan;
al zouden bergen wankel blijken
en in het hart der zee bezwijken;
laat bruisen heel de watervloed,
die zelfs de bergen beven doet.

2. Zie, een rivier, vertakt in stromen,
uit bron en beken voortgekomen.
Door haar wordt nu Gods stad verblijd,
dat heilig oord, aan Hem gewijd.
Zeer heilig is die schone woning
van Hem, de allerhoogste Koning.
Vast staat zij, want God zetelt daar;
bij t ochtendgloren helpt Hij haar.

3. Hoe hevig ook de volken woedden,
niets kon hun ondergang verhoeden;
geen rijk hield stand, hoe vast gegrond:
Hij sprak, de aarde smolt terstond.
Want Hij de Heer der hemelscharen,
is met ons, helpt ons in gevaren;
Hij, Jakobs God, oneindig sterk,
is ons een burcht, een vestingwerk.

4. Komt en aanschouwt het werk des Heeren,
die onheil van ons af doet keren.
Hij richt op aard verwoesting aan,
brengt wat vijandig is tot staan.
Alom, tot aan het eind der aarde,
stilt Hij de strijd die ons vervaarde;
Hij splijt de lans, verbreekt de boog,
verbrandt de wagens voor ons oog.

5. Houdt op met uw hoogmoedig streven:
weet dat Ik God ben, hoog verheven!
Ik, die in Mijn verhevenheid
de volken op de aarde leidt.
Hij is de Heer der hemelscharen,
die met ons is, ons wil bewaren;
Hij, Jakobs God, oneindig sterk,
is ons een burcht, een vestingwerk.


Psalm 47
1. Al gij volken eert
God, die d aard regeert.
Juicht bij handgeklap,
roemt Zijn koningschap;
geeft vol vreugd de Heer,
d Allerhoogste, eer.
Die aan onze voet
volken bukken doet.
Hij geeft ons het land,
Jakobs trots, ten pand.
Zijn geliefde knecht
schenkt Hij erflijk recht.

2. God vaart voor het oog
met gejuich omhoog.
Klaar bazuingeschal
looft Hem overal.
Psalmzingt Gode, zingt,
hoort Zijn lof weerklinkt;
brengt met zuivre klank
onze Koning dank!
Want als vorst voert Hij
wereldheerschappij.
Wijdt een kunstig lied
Hem die t al gebiedt.

3. God ziet als hun Heer
op de volken neer;
God spreidt macht ten toon
van Zijn heilge troon:
God van Abraham,
die tot eedlen kwam.
Hij bracht, Hij alleen
heel Zijn volk bijeen:
van God zijn op aard
heersers, zeer vermaard.
In verhevenheid
voert Hij Zijn beleid.


Psalm 48
1. De Heer is groot en hoog geerd
op Sions berg, waar Hij regeert;
Zijn stad, zo schoon en hoog gelegen,
schenkt heel de aarde vreugd en zegen.
Daar, waar Sions top verrijst,
machtig naar het noorden wijst,
ligt de stad van onze Koning;
haar paleizen zijn Gods woning;
daar wil God zich openbaren
als een toevlucht in gevaren.

2. Want vorsten trokken samen op
ten strijde tegen Sions top:
ontzetten zich, zodra zij t zagen,
zijn angstig op de vlucht geslagen.
Als een vrouw in barenssmart
beefden zij met bonzend hart.
Uit het oosten losgebroken,
deed een storm de golven koken;
in dorkaan die op kwam steken
deedt Gij Tarsis schepen breken.

3. Wij hadden menigmaal gehoord
hoe zeer de vijand werd verstoord;
nu deed de Heer der hemelscharen
ons zelf dat van nabij ervaren.
Wat ons was verteld voordien
mochten wij nu zelf ook zien
in die stad, waarin als Koning
onze God troont in Zijn woning.
Hij, die heden ons bevrijdde,
doet haar vaststaan t allen tijde.

4. O God, U hebt ons goed gedaan
wij denken aan die gunst voortaan
en zullen aan U eer bewijzen,
U in Uw huis, Uw tempel prijzen.
Want vol van gerechtigheid
is Uw hand die heeft bevrijd.
Zoals Uw naam is in waarde,
looft, o God, U heel de aarde.
Sion, Juda, juicht van vreugde,
daar Gods oordeel u verheugde.

5. Trekt allen rondom Sion heen
en telt haar torens een voor een;
wilt op haar sterke voormuur wijzen,
opmerkzaam gaan door haar paleizen.
Opdat u het nageslacht
kunt vertellen van Zijn macht:
Waarlijk, zo zal eeuwig wezen
onze God, door elk te vrezen.
Hij, die Herder zal ons weiden,
veilig aan Zijn hand geleiden.


Psalm 49
1. Hoort, volken, waar u in de wereld woont,
of laag van staat, of hoog met eer gekroond,
ook rijk en arm, komt luistert naar dit woord,
mijn mond brengt niets dan louter wijsheid voort.
Mijn hart heeft nu puur inzicht opgedaan
die les wil ik voor u bezingen gaan;
een wijze spreuk zal ik u openbaren,
bij citerspel u mijn geheim verklaren.

2. Waarom toch zou ik vrezen in een tijd,
waarin veel kwaad, veel onrecht mij bestrijdt
van boos volk dat op overvloed vertrouwt
en al zijn hoop op grote rijkdom bouwt?
Geen mens verlost zijn broeder door zijn goed,
geen losprijs heeft hij die aan God voldoet:
die is te laag als waarborg dat zijn leven
hierdoor aan t graf voorgoed zou zijn ontheven.

3. Hij ziet: wie wijs is blijft hier niet bestaan,
ziet onverstand en dwaas te gronde gaan;
hun doodsuur slaat en allen komen om,
voor anderen is dan hun eigendom.
Al denken zij: Ons huis houdt altijd stand;
al geven zij hun namen aan hun land
de mens, hoe hij op aarde ook mag pralen,
zal in het graf, zoals de beesten, dalen.

4. Zo gaat het elk die op zichzelf vertrouwt,
zijn eigen woord voor ware wijsheid houdt:
straks dalen zij als schapen in het graf
en weidt de dood die dwazen met zijn staf.
Terwijl hun glans dan in het graf vergaat,
rijst voor Gods volk de nieuwe dageraad;
dan doet Hij Zijn oprechten triomferen
en over al die snoevers streng regeren.

5. Ja, God zal mij ontrukken aan de dood,
Hij koopt mij los en redt mij uit die nood;
Hij is het die ten leven mij geleidt,
want Hij neemt mij op in Zijn heerlijkheid.
Vrees niet voor hem, wiens rijkdom steeds maar groeit,
wanneer zijn huis door grote weelde bloeit,
bij t sterven moet hij alles achterlaten,
zijn luister zal hem in de dood niet baten.

6. Al prijst hij zich in zelfgenoegzaamheid,
al blijkt dat men u om de welstand vleit,
toch komt gij tot uw vaders voorgeslacht,
dat nimmermeer op licht en leven wacht.
De mens, als hij in roem en glorie leeft,
maar geen verstand noch ware wijsheid heeft,
die mens, hoe hij op aarde ook mag pralen,
zal in het graf, zoals de beesten, dalen.


Psalm 50
1. t Woord van de Heer, de God der goden klinkt
vanwaar de zon rijst tot waar zij weer zinkt.
Uit Sions stad, vol heerlijkheid en licht
verschijnt God zelf met blinkend aangezicht;
als rechter zal Hij nu Zijn troon bestijgen,
Hij, onze God, Hij komt en zal niet zwijgen.

2. Verterend vuur is Hem voorafegaan;
omgeven door t geweld van een orkaan,
komt Hij Zijn volk thans richten voor elks oog,
tot aarde roept Hij en tot hemelboog:
Brengt voor Mij nu Mijn gunstgenoten samen,
die in t verbond met offers tot Mij kwamen.

3. Want God spreekt recht in al Zijn majesteit,
de hemel roemt van Zijn gerechtigheid:
Hoor nu Mijn volk, naar wat Mijn aanklacht zegt,
o Isral, voor Mij staat ge terecht,
Ik spreek en wil nu tegen u getuigen:
Ik toch ben God, uw God, gij moet u buigen.

4. Ik laak u om uw offeranden niet,
omdat Mijn oog die steeds weer roken ziet.
Meent gij soms dat Ik stieren uit uw stal,
of bokken uit uw kooien nemen zal?
Het talrijk vee dat graast op duizend bergen,
het is van Mij, van u zal Ik niets vergen.

5. Vogels die in de bergen zijn, ken Ik,
die over wat in t veld leeft, vrij beschik.
Ik vroeg u niets, indien Ik honger had;
want d aarde is van Mij, met heel haar schat:
dacht u dat stier en bok als offergaven,
dat vlees en bloed Mij voeden en Mij laven?

6. Offer God lof, brengt d Allerhoogste eer,
betaal Hem uw geloften, telkens weer;
en is het dat het onheil u omringt,
wanneer de angst u in de engte dringt,
roep Mij dan aan, Ik zal Mij tot u keren,
Ik red u uit en gij, gij zult Mij eren.

7. Maar hoor wat God tot goddelozen zegt:
wat somt ge op Mijn wetten en Mijn recht?
Waarom zijn die voortdurend in uw mond
en spreekt ge graag en veel van Mijn verbond,
hoewel ge blijk geeft alle tucht te haten,
Mijn woorden u steeds onverschillig laten?

8. Ziet ge een dief, gij sluit u bij hem aan,
ge wilt de weg met overspelers gaan.
Al wat uw mond spreekt is geheel onwaar,
uw tong rijgt niets dan leugens aan elkaar;
zo wordt door u de waarheid steeds verbasterd,
uw eigen broer wordt zelfs door u belasterd.

9. Dat deedt gij en noch zweeg Ik, hield Mij stil,
maar gij ziet niet, dat Ik van u verschil:
ge beeldt u in, dat Ik ben zoals gij,
nooit onderscheidt ge tussen u en Mij;
streng zal Ik u berispen om uw zonden,
breng voor uw oog dit kwaad bij u gevonden.

10. Ziet dat toch in, gij die uw God vergeet,
opdat Ik, die van al uw boosheid weet,
u niet verscheur, terwijl geen redding daagt.
Wie Mij zijn dank wijdt, doet wat Mij behaagt:
die eert Mij recht, hij wil Mijn weg bewaren,
Mijn heil zal Ik hem zeker doen ervaren.


Psalm 51
1. Wees mij, o God, genadig in mijn smart,
delg uit mijn schuld naar Uw barmhartigheden;
zie mijn berouw, verhoor mijn smeekgebeden,
Uw trouw is groot, ontsluit Uw vaderhart.
Was mij geheel van ongerechtigheid,
maak mij weer rein uit louter mededogen:
ik ken mijn kwaad, dat ik aan U belijd,
mijn zonde staat voortdurend mij voor ogen.

2. Want tegen U alleen heb ik misdaan;
ik heb gedaan wat slecht is en onwaardig,
U oordeelt juist, U vonnist strikt rechtvaardig;
geen ogenblik kan ik voor U bestaan.
Ik weet mij van mijn eerst begin besmet:
in zondeschuld ontvangen en geboren.
U eist dat ik oprecht ben naar Uw wet
en doet mij in mijn hart Uw wijsheid horen.

3. Ontzondig mij, maak mij met hysop rein,
zodat ik weet: ik ben door U genezen;
was mij geheel, dan zal ik zuiver wezen,
ik zal als sneeuw, ja zelfs nog witter zijn.
Geef mij opnieuw de blijdschap en het licht,
dan zal ik na verbrijzeling weer juichen.
Delg uit mijn schuld, verberg Uw aangezicht
voor zonden die nog tegen mij getuigen.

4. O God, herschep mij, maak mij rein van hart,
vernieuw in mij een geest, aan U verbonden;
stoot mij niet weg en neem om al mijn zonden
Uw heilge Geest niet van mij in mijn smart.
Schenk mij uw heil, dan keert mijn blijdschap weer
en maak mijn geest weer tot Uw dienst genegen,
opdat ik die aan overtreders leer
en zondaars zich bekeren tot Uw wegen.

5. God van mijn heil, wis toch mijn bloedschuld uit,
laat mij, om Uw gerechtigheid, U prijzen;
mijn mond zal U al juichend eer bewijzen,
wanneer U, Heer, mijn lippen weer ontsluit.
Geen offerdier is ooit Uw lust geweest,
wat zou ik U ter boetedoening slachten?
Een schreiend hart en een verbroken geest,
die offers zult Gij, o God, nooit verachten.

6. Doe Sion wel, dat op Uw gunst vertrouwt,
gedenk Uw stad weer naar Uw welbehagen;
Jeruzalem ziet dan de redding dagen,
wanneer Uw hand weer aan haar muren bouwt.
Dan hebt Gij lust in offers, naar Uw eis
en wordt opnieuw het heilig vuur ontstoken;
het kostbaarst vee wordt als een eerbewijs
voor U geslacht en doet Uw altaar roken.


Psalm 52
1. Wat roemt gij u toch op het kwade,
brutale dwingeland?
Want altijd duurt toch Gods genade,
mijn heil ligt in Zijn hand.
Uw tong die als een scheermes snijdt,
is aan bedrog gewijd.

2. Veel liever dan t goede te kiezen
bent u bedacht op kwaad;
in leugens wilt gij u verliezen
omdat gij waarheid haat.
Hoe brengt de taal die u bekoort
verderf en onheil voort.

3. Maar God zal voorgoed u verderven,
u sleuren uit uw tent.
Hij rukt u weg en u zult sterven,
door niemand meer gekend.
Hij doet uw leven ondergaan,
ontworteld uw bestaan.

4. Rechtvaardigen zien dit en beven;
door hen wordt hij bespot:
Dat is die man die heel zijn leven
geen toevlucht zocht bij God;
hij bouwde op zijn geld en macht,
wat hem dit onheil bracht.

5. Maar ik als een boom vol olijven
fris, groen van bladervracht,
mag rustig in Gods huis verblijven
waar mij bescherming wacht;
want daar vertrouw ik voor altijd
op Gods goedgunstigheid.

6. U zal ik mijn leven lang prijzen
omdat Gij redding bracht;
Uw naam, die goed is, eer bewijzen,
Uw naam die ik verwacht
en in de tegenwoordigheid
van heel Uw volk belijd.


Psalm 53
1. De dwaas zegt bij zichzelf in overmoed:
Er is geen God -. t Is onrecht wat zij plegen,
zij wandelen op gruwelijke wegen
en uit hun hart welt kwaad in overvloed;
niemand doet goed.

2. God ziet vanuit Zijn hoge hemel neer
of iemand wijs is, luistert naar Zijn spreken;
een die God zoekt -. Maar elk is afgeweken.
Samen ontaard; zij brengen Hem geen eer;
niet een zelfs meer.

3. Is dan bij hen, die kwaad op kwaad begaan,
geen kennis en geen inzicht meer te vinden,
ja, wie Mijn volk als was het brood, verslinden?
Nooit roepen zij, verblind door eigenwaan,
Gods naam nog aan.

4. Daar valt op hen verschrikking, onverwacht,
een droombeeld was het dat hun geest vervaarde,
want God verstrooit hun beenderen op aarde.
Hoe maakt gij hen beschaamd, want God veracht
dit boos geslacht.

5. Och, werd door God uit Sion heil bereid!
Als Hij het lot voor Isral doet keren,
dan zal het volk van Jakob Hem vereren;
hoe juicht het dan, hoe is het dan verblijd,
vol dankbaarheid.


Psalm 54
1. O God, maak door Uw naam mij vrij:
wil door Uw kracht mij recht bezorgen.
Houd voor mijn klacht U niet verborgen,
o God, merk op en hoor naar mij.
Want vreemden hebben zich zeer hoog
en dreigend tegen mij verheven;
geweldenaars staan naar mijn leven;
zij stellen God zich niet voor t oog.

2. Maar God helpt mij in alle nood,
steeds ondersteunt de Heer mijn schreden,
vergeldt, wat haters mij misdeden;
verdelg hen, want Uw trouw is groot.
Vrijwillig breng ik offers, Heer;
Uw naam is goed, die zal ik loven;
omdat Hij redding zond van boven
zag ik blij op mijn vijand neer.


Psalm 55
1. O God, neem mijn gebed ter ore;
verberg U niet, maar wil mij horen.
Aanschouw mijn smart, wil antwoord geven;
ik heb geen rust, zwerf kreunend rond,
op kwaad belust, door boze mond
staat mij de vijand naar het leven.

2. Ik hoor geschreeuw van goddelozen,
ik word vervolgd, gekweld door bozen
die in hun toorn mijn dood verlangen.
Hoe trilt en beeft mijn hart van schrik.
De dood omgeeft mij als een strik,
door angst en vrees ben ik gevangen.

3. Kon iemand mij maar vleugels geven,
dan zou ik vluchten voor mijn leven;
zoals een duif zou ik vernachten
in woestenij, waar geen mij vindt;
daar was ik vrij van weer en wind,
waar geen gevaren zijn te wachten.

4. Verwar hun spraak, Heer, stoor hun plannen,
nu twist en strijd de stad omspannen,
zij waren rond op wal en muren;
haar straten zijn vol ongeluk,
op ieder plein bedrog en druk,
waar dag en nacht de twist blijft duren.

5. Zo mij een vijand zou belagen,
van hem zou ik nog smaad verdragen,
ik zou mij voor zijn aanval dekken.
Maar t is mijn vriend die mij benauwt,
door mij gediend en zeer vertrouwd,
met wie ik naar Gods huis mocht trekken.

6. Dat hen de dood mag achterhalen
en levend in het graf doen dalen,
want kwaad bewoont hun huis en harten.
Maar ik verwacht mijn God en Heer,
ik roep met kracht en smeek Hem zeer,
Hij zal mij redden uit mijn smarten.

7. Ik klaag Hem al mijn leed en zorgen,
roep vroeg en laat, bij nacht en morgen
en zeker zal Hij mij verhoren.
Dan wordt mijn hart door Hem bevrijd,
hoe groot de smart, hoe fel de strijd,
dan wordt de vrede weer geboren.

8. Want Hij, de God van alle tijden
vernedert wie Hem wil bestrijden;
en wie de vrede wil verbreken:
hij zint op strijd, schendt het verbond,
het hart vol nijd, al vleit zijn mond,
een dodend zwaard is al zijn spreken.

9. Werp op de Heer uw nood en zorgen,
uw leven is bij Hem geborgen
die staande houdt wie op Hem bouwen.
Wie bloed vergoot ontvangt zijn straf:
vroeg kort de dood zijn leven af.
Ik echter blijf op U vertrouwen.


Psalm 56
1. O God, wees mij genadig, sta mij bij,
want heel de dag trapt en verstoot men mij;
ik wordt benauwd, ben nooit van kwelling vrij;
zie, hoe zij op mij jagen.
Hoe talrijk zijn ze die mij wreed belagen
en met hun haat vanuit de hoogte plagen;
hun sluwheid kwelt mij meer dan ik kan dragen,
zo slecht van aard zijn zij.

2. Maar als ik vrees dat ik moet ondergaan,
dan zal op U mijn vast vertrouwen staan;
ik roem in God en prijs Zijn woord voortaan:
zou vlees mij kunnen deren?
Ik vrees niet wie mijn ondergang begeren,
mij dag aan dag door lastertaal onteren,
mijn woorden in een valse zin verkeren:
God is met mij begaan.

3. Zij zijn vol nijd, bedenken niets dan kwaad,
terwijl hun oog mijn schreden gadeslaat
en elk met list mij naar het leven staat,
niet een kent mededogen.
Zou U dit volk dan met Uw heilig ogen,
nog kunnen zien, het straffeloos gedogen?
Stort neer, o God, wie op hun slechtheid bogen,
straf hen toch om die daad!

4. U weet hoe ik moet zwerven hier op aard;
houd in Uw kruik mijn tranen toch vergaard;
is hun getal voor altijd niet bewaard
en in Uw boek geschreven?
Mijn vijand wordt, zodra ik roep verdreven:
U bent gewis de Redder van mijn leven.
Dit weet ik vast: God zal mij nooit begeven,
niets maakt mij meer vervaard.

5. Ik roem in God en loof Zijn troostrijk woord,
ik prijs de Heer en ga met vastheid voort,
mijn vrees verdwijnt, omdat Hij zeker hoort:
zou ooit een mens mij schenden?
Ik heb beloofd, als U in mijn ellende
mij uitkomst bood, het onheil af zou wenden,
tot U, o God, mijn danklied op te zenden,
door liefde aangespoord.

6. Want Gij hebt mij beveiligd voor de dood,
mijn voet bevrijd, dat hij zich niet meer stoot;
U bent voor mij een schild in alle nood,
U hebt mijn smart verdreven;
Uw gunst is mij in alles bijgebleven;
Gods aangezicht schenkt mij weer licht en leven:
ik mag mij in dat levenslicht begeven;
wat is Zijn goedheid groot.


Psalm 57
1. Help mij, o God, sta mij genadig bij,
want bij U schuil ik; maak van angst mij vrij.
Mijn toevlucht zoek ik waar niets mij doet vrezen:
in schaduw van Uw vleugels berg ik mij,
totdat voorgoed het kwaad voorbij zal wezen.

2. Tot God roep ik, die mij verlossing schenkt,
de hoogste God, die het voor mij volbrengt.
Hij redt mij uit den hoge van ellende
als Hij beschaamd heeft wie mij trapt en krenkt;
God zal Zijn trouw, ja Zijn genade zenden.

3. Weet hoe men fel als leeuwen mij bestrijdt;
zij spuwen vuur en vlam uit haat en nijd;
scherp is hun tong, een zwaard dat niemand spaarde.
O God, verhef U in Uw majesteit;
Uw heerlijkheid zij over heel de aarde.

4. Mijn voet had zich haast in hun net verward,
diep bogen zij mij neer in al mijn smart;
ik zag hen zelf in eigen valkuil zinken.
Gewis, o God, gerust is weer mijn hart,
ik zal mijn psalm blij zingend op doen klinken.

5. Nu ik ontwaak: wordt wakker harp en luit:
het morgenrood wek ik door uw geluid.
Uw lof, o Heer, zal ik alom verbreiden,
ik roep Uw naam bij alle volken uit.
U zal ik bij elk volk mijn psalmen wijden.

6. Want hemelhoog is Uw goedgunstigheid,
Uw trouw is tot de wolken uitgebreid.
Wie schat Uw macht, Uw grootheid ooit naar waarde?
O God, verhef U, in Uw majesteit;
Uw heerlijkheid zij over heel de aarde.


Psalm 58
1. U, zo voornaam en hooggezeten,
spreekt gij wel recht naar ambt en plicht?
Bent u rechtvaardig als u richt?
Veeleer wilt gij van recht niet weten
omdat uw weegschaal overhelt
naar willekeur en naar geweld.

2. Zij zijn ontrouw, zo reeds geboren,
ja, leugenaars, hun leven lang.
Venijnig zijn ze als een slang
die naar het fluitspel niet wil horen;
niet luistert naar wie hem bezweert,
hoe ook bekwaam, hoe ook volleerd.

3. O God, wil toch hun tanden breken,
de hoektanden der leeuwen, Heer.
Doe U hen vallen, stoot ze neer;
laat hen vervloeien als de beken
en laat hun pijlen, vol venijn,
dan stomp of afgebroken zijn.

4. Laat als een slak hen vlug verdwijnen,
die kruipend wegsmelt op zijn baan.
Doe als een misdracht hen vergaan,
die nooit het zonlicht heeft zien schijnen;
Hij stormt als dorens dan snel heen,
weg, vr een vlam in t vuur verscheen.

5. t Rechtvaardig volk zal zich verblijden
als wraak de bozen vallen doet.
Het wast de voeten in hun bloed.
Men ziet hoe de goddelozen lijden:
Toch doet een God op aarde recht,
Hij loont Zijn volk, wordt dan gezegd.


Psalm 59
1. Wil, o mijn God, mij toch bevrijden,
mij bergen voor wie mij bestrijden.
Red mij van al wie dorst naar bloed,
wie onbeschaamd de zonde doet.
Zie sterken op mijn leven loeren
om aanvalsplannen uit te voeren.
O Heer, geen ongerechtigheid
of kwaad van mijn kant wettigt strijd.

2. Ontwaak, Heer, God der hemelscharen,
laat hen Uw gunst niet wedervaren;
zie hun verraad, hun boos bestel
en straf hen, God van Isral.
Steeds zwerven zij, huilend als honden
s avonds de stad door, doen hun ronden;
zij persen, waar toch niemand hoort,
hun lippen tot een smalend woord.

3. Maar, Heer, Uw lach klinkt door de wolken;
U spot met deze heidenvolken.
Op U, mijn sterkte, hecht en hoog,
op God, mijn burcht, sla ik het oog.
Mijn goede God richte Zijn schreden
tot mij en doe naar mijn gebeden.
God maakt, dat ik door Hem bevrijd,
blij zie op hen door wie ik lijd.

4. O Heer, ons schild, doe eer zij sterven
hen door Uw macht als balling zwerven.
Bescherm mijn leven, stort hen neer;
mijn volk vergete dit nooit meer.
Vang in hun hoogmoed, richt te gronde
hen, uit wier mond niets komt dan zonde.
Straf zo wie trots Uw wetten breekt,
slechts leugen en verwensing spreekt.

5. Wil hen geheel in toorn verteren;
vernietig hen, zij moeten leren:
God heeft in Jakob alle macht;
ja, heel de wereld vreest Zijn kracht.
Steeds zwerven zij, huilend als honden
s avonds de stad door, doen hun ronden;
die zwerven daar, op voedsel uit,
dof grommend bij gebrek aan buit.

6. Ik echter, ik bezing Uw sterkte,
het heil dat Gij voor mij bewerkte.
Des morgens jubel ik verblijd,
prijs U om Uw goedgunstigheid.
Mijn kracht, ik zal U psalmen wijden,
mijn toevlucht in mijn bitter lijden.
Want God is mijn onneembaar slot
mijn eindeloos genadig God.


Psalm 60
1. O God, hoe hebt Gij ons bedroefd,
in toorn verstoten en beproefd.
Herstel ons en genees het land,
dat beeft en wankelt door Uw hand.
Hoe hard, wat Gij bij zoveel leed
Uw volk vol schrik aanschouwen deed;
U liet een beker wijn ons reiken,
daardoor bedwelmd, ons schier bezwijken.

2. Aan hen die U zijn toegewijd,
gaf U een teken in de strijd:
zich op te stellen in het veld,
gewapend tegen het geweld.
Zo doet Gij t volk, door U bemind,
slagvaardig zijn en eensgezind.
Uw antwoord moge ons versterken,
Uw rechterhand triomf bewerken.

3. God gaf Zijn woord in t heiligdom,
zodat Ik juichend tot u kom;
wanneer Ik Sichem delen zal,
het meetsnoer trek door Sukkoths dal.
Heel Gilead hoort toe aan Mij,
Manasse kent Mijn heerschappij;
als helm zal Efram Mij dekken,
tot scepter zal Mij Juda strekken.

4. Het land van Moab, diep veracht,
breng Ik, met Edom, in Mijn macht.
In heel het Filistijns gebied
klinkt luid Mijn overwinningslied.
O God, die ons verstoten had,
breng mij in Edoms sterke stad.
Zult Gij niet zelf ons leger leiden;
zult Gij, o God, voor ons niet strijden?

5. Bied ons Uw hulp, wil door Uw hand
verbreken alle tegenstand.
Bewaar ons in de zware strijd,
want mensenhulp is ijdelheid.
Maar God geeft door Zijn grote macht
tot kloeke daden ons de kracht.
Hij zelf zal ons de zege geven:
de vijand beneemt Hij het leven.


Psalm 61
1. Hoor, o God, mijn biddend klagen
hoor mij vragen;
toon dat Gij mij niet vergeet.
In ver afgelegen streken
blijf ik smeken,
daar mijn hart bezwijkt van leed.

2. Wil mij door Uw macht bevrijden,
zelf mij leiden
op een rots, te hoog voor mij.
Want U was mijn sterke toren
steeds tevoren
waar ik was van doodsangst vrij.

3. Wil mij dan Uw gunst betonen,
mij doen wonen
in Uw tent, nu en altijd.
Laat mij schuilen, vrij van zorgen,
wel geborgen,
door Uw vleugels overspreid.

4. Want, o God, U neeg Uw oren,
wilde horen
mijn geloften U gedaan.
U wou hen het erfdeel geven,
wie hun leven
wijden aan Uw grote naam.

5. Wil des konings leven sparen
tal van jaren,
ja, van geslacht tot geslacht.
Laat hem altijd voor Gods ogen
tronen mogen,
met Uw gunst en trouw als wacht.

6. Dan zal ik Uw naam bezingen,
U omringen
met mijn psalmen, U gewijd;
mijn geloften U betalen
en verhalen
van Uw lof, nu en altijd.


Psalm 62
1. Alleen bij God zoek ik mijn rust,
in Hem is al mijn heil, mijn lust.
Hij zal alleen mijn steenrots wezen.
Hij is mijn burcht waarheen ik vlucht.
Al is mijn vijand zeer geducht,
ik wankel niet en zal niet vrezen.

2. Hoe lang stormt gij met velen aan
op mij, want gij zult snel vergaan
zoals een muur die helt, gaat breken.
Alleen mijn val beheerst hun raad;
zij vloeken in hun hart, vol haat,
ook als hun lippen zegen spreken.

3. Alleen bij God zoek ik mijn rust,
want Hij is al mijn hoop, mijn lust;
Hij zal alleen mijn steenrots wezen.
Hij is mijn burcht waarheen ik vlucht.
Al is mijn vijand zeer geducht,
ik wankel niet en zal niet vrezen.

4. Op God rust al mijn heil, mijn eer;
in God schuil ik voor mijn verweer.
Volk, bouw op Hem te allen tijde.
Stort voor Zijn aangezicht uw hart
volkomen uit in angst en smart:
God is een toevlucht in het lijden.

5. Alleen een ademtocht gelijk,
zo zijn de mensen arm en rijk,
zelfs lichter, op een schaal gewogen.
Zoek in verdrukking niet uw kracht,
stel niet uw hoop op roof of macht;
zet niet het hart op uw vermogen.

6. God sprak tot mij eenmaal Zijn woord,
tweemaal heb ik dit woord gehoord:
Aan God de macht, Hij is de Sterke.
O Heer, van U is ook altijd,
Uw trouw en Uw goedgunstigheid,
want Gij loont ieder naar zijn werken.


Psalm 63
1. O God, mijn God, vat Gij mijn hand,
U zoek ik, heimwee doet mij branden;
ik smacht naar U in dorre landen,
zoals naar regen, dorstend land.
Zo zag ik in Uw tempelhoven
Uw sterkte en Uw heerlijkheid.
Want Uw genade gaat altijd
dit aardse leven ver te boven.

2. Nu prijs ik U mijn leven lang,
mijn handen zal ik opwaarts heffen;
daar mij geen kwaad bij U kan treffen,
prijs ik Uw naam met jubelzang.
Hoe rijk hebt Gij mij begenadigd;
als ik bij nacht dit overdenk,
is het alsof een rijk geschenk
van fijnste spijzen mij verzadigt.

3. Want U bent mij tot hulp geweest,
U wilt mij met Uw vleugels dekken,
geen mens kan uit Uw hand mij trekken,
ik juich daarom, ben onbevreesd.
Ik ben zeer sterk aan U verbonden,
omdat Uw rechterhand mij leidt.
Ik ga mijn weg in veiligheid,
in U heb ik mijn borg gevonden.

4. Maar wie mij dreigen met geweld,
het diepe graf zal hen begeren,
hun leven zal het zwaard verteren:
aas voor de jakhals in het veld.
De koning zal zich dan verheugen
in God, wiens hand zeer vast regeert;
verheugd is elk die bij Hem zweert,
omdat verstomt de mond der leugen.


Psalm 64
1. O God, hoor naar mijn stem, mijn klagen
en hoed mij voor het boos beraad
van alle werkers van het kwaad,
voor hen die op mijn leven jagen
uit hinderlagen.

2. Hun laster komt mijn smart verhogen:
scherp als het zwaard is ieder woord,
een pijl die wreed het hart doorboort,
geschoten zonder mededogen
en onbewogen.

3. Zij gaan zich in het kwade sterken
en zetten strikken ongezien;
ook denken ze nog bovendien
dat niemand van hun boze werken
iets zal bemerken.

4. Zij zijn door boosheid hecht verbonden;
zij overleggen met elkaar:
Wij zijn gereed, ons plan is klaar.
Ja, ieders hart is vol van zonden,
niet te doorgronden.

5. Daar treft Gods pijl hen, zie hun plagen.
Hun eigen tong brengt hen ten val.
Hun wonden schrijnen overal.
Men schudt het hoofd, ziet hoeveel slagen
zij moeten dragen.

6. Dan zal elk mens, die opmerkt, vrezen,
roemen Gods daad met hart en stem.
Oprechten zingen, sterk in Hem.
De Heer zal hun een schuilplaats wezen
al wie Hem vrezen.


Psalm 65
1. O God, uit Sion stijgt naar boven
een lied in stille dank;
men komt U met geloften loven,
betaald met blij geklank.
Met eerbied komen wij getreden
tot U, die zegen geeft.
U bent een hoorder der gebeden,
tot U komt al wat leeft.

2. Hoe zwaar beladen was mijn leven
met ongerechtigheid,
maar U hebt al ons kwaad vergeven
en scheldt de schuld ons kwijt.
Gezegend wie, door U verkoren,
mag treden door Uw poort
om, wonend in Uw huis, te horen
naar Uw vergevend woord.

3. Gij wilt ons in Uw huis versterken
met meer dan aardse spijs;
wie zou een groter heil bewerken
dan Gij in Uw paleis.
U antwoordt met geduchte daden
ons in gerechtigheid.
God van ons heil, die vol genade
Uw redding ons bereid.

4. Gij, toeverlaat van alle landen
en d allerverste kust,
die bergen grondvest door Uw handen,
met sterkte toegerust;
die zeen, woest door storm en kolken,
laat zwijgen door Uw wil,
U temt ook het rumoer der volken;
U spreekt en zij zijn stil.

5. Want volkeren, hoe ver zij wonen,
zij vrezen voor Uw macht;
waar Gij Uw tekenen komt tonen
erkennen zij Uw kracht.
De trotse machten zult Gij dwingen
te bukken in het stof
en heel de dag doet Gij bezingen
Uw glorie en Uw lof.

6. Het land bezoekt Gij met Uw zegen
en schenkt het overvloed;
U drenkt het door een milde regen
die zaden kiemen doet.
Gods beek, vol water, vult de voren,
doorweekt de harde kluit;
U geeft de wasdom aan het koren
en deelt het brood ons uit.

7. Gij kroont het jaar met welbehagen:
waar eerst Uw voetstap stond,
mag nu het land Uw zegen dragen
met vrucht in vette grond.
De steppen worden malse weiden
gesierd met welig gras;
en heuvels dragen op hun zijden
het juichende gewas.

8. Landouwen zijn bekleed met kudden
van jong en edel vee.
De halmen in de dalen schudden
en deinen als de zee.
Nu juichen veld en heuvelflanken,
getooid in feestkledij,
om voor de zegen Gods te danken
in beurtzang en in rei.


Psalm 66
1. Juicht Gode toe in alle landen;
psalmzingt tot glorie van Zijn naam.
Looft Hem tot aan de verste stranden
en roemt Zijn daden altezaam.
Zegt: Hoe ontzaglijk zijn Uw werken,
Uw vijand brengt U veinzend eer;
laat al wat leeft Uw macht bemerken:
dan knielt heel d aarde voor U neer.

2. Komt, ziet naar Gods geduchte daden,
aan mensenkinderen gedaan;
door zee en stroom schiep Hij de paden,
waar zij droogvoets zijn door gegaan.
Toen mochten wij Zijn roem vertolken,
die eeuwig in Zijn kracht regeert;
Zijn oog bewaakt de heidenvolken,
wacht u, dat gij Hem ooit trotseert.

3. Aan onze God de eer gegeven;
heft, volken, luid een loflied aan.
Hij deed uit doodsnood ons herleven,
heeft onze voeten vast doen staan.
O God, U liet ons fel bestrijden;
U toetste ons, hebt ons bedroefd,
hebt ons gelouterd door het lijden
als zilver door het vuur beproefd.

4. U bracht ons in des vijands netten,
hield als met banden ons omkneld.
U hebt de mens zijn voet doen zetten
op onze nek, met wreed geweld.
Toen gingen we door woeste stromen
en werden wij omringd door vuur;
maar U deed ons t gevaar ontkomen,
gaf overvloed te goeder uur.

5. Ik zal Uw huis nu binnentreden
met dank, omdat Gij redding bood:
daar breng ik offers met gebeden,
die ik beloofd heb in de nood.
Slachtvee zal op het altaar branden,
het beste rund wordt aangebracht
en bij de geur van offeranden
wordt ram en bok voor U geslacht.

6. Komt luistert toe, al wie God vrezen;
hoort naar hetgeen Hij aan mij deed.
Mijn hulpgeroep, tot Hem gerezen
werd snel tot loflied na mijn leed.
Was ik door ongerechtigheden
en leugen heimelijk bekoord,
dan had de Heer mijn smeekgebeden,
mijn klachten niet eens aangehoord.

7. Voorzeker, God zij hoog geprezen,
want Hij heeft al mijn nood gekend,
mijn luid gebed niet afgewezen,
Zijn gunst van mij niet afgewend.


Psalm 67
1. Dat Gods genade bij ons wone,
Hij zende ons Zijn zegen neer;
dat Zijn gelaat zich lichtend tone,
beschijne dat licht ons steeds meer.
opdat hier op aarde
elk Uw weg aanvaarde
en tot U zich wend;
zo, dat allerwegen
volk bij volk de zegen
van Uw heil erkent.

2. Dat alle volkeren U prijzen;
U loven, o God allen saam.
Dat alle landen eer bewijzen
aan Uw alom geduchte naam.
Volken zult Gij richten
U gaat vrede stichten
door gerechtigheid.
Ja, in alle landen
worden door Uw handen
volkeren geleid.

3. Dat alle volkeren U prijzen;
U loven, o God in hun lied.
U wilt Uw goedheid ons bewijzen,
nu ons het veld veel vruchten biedt.
God is ons genegen,
onze God die zegen
overvloedig geeft:
God zij hoog geprezen,
Hem moet ieder vrezen
die op aarde leeft.


Psalm 68
1. Zie: God staat op, jaagt voor zich heen
Zijn vijanden verschrikt uiteen:
als rook zijn ze verdreven.
Zij zullen voor Gods oog vergaan,
als was voor vuur, wie Hem weerstaan
in hun zo boze leven.
Maar, met het oog op Hem gericht,
toont, juichend voor Gods aangezicht
t rechtvaardig volk zijn vreugde.
Zij maken jubelend Hem groot
die in gevaar hun uitkomst bood,
hen door Zijn hulp verheugde.

2. Zingt God een psalm en wees verblijdt
voor Hem die op de wolken rijdt;
hoog is Zijn naam verheven.
Die voor de wees een Vader is,
voor weduwen in hun gemis,
recht doen zal in hun leven.
God geeft vanuit Zijn heilig huis
aan eenzamen een veilig thuis
en een gezin tot woning,
die banden van geboeiden slaakt;
doch wie Hem tart, tot balling maakt
in dor land als beloning.

3. O God, U hebt in de woestijn
Uw volk tot leidsman willen zijn,
Uw wet hen voorgeschreven.
De aarde schudde door Uw macht,
terwijl een zware watervracht
de Sina deed beven.
Daar hebt Gij Isral getoond
hoe Gij het met Uw zegen kroont:
een stroom van milde gaven.
Want was Uw erfdeel uitgeput,
dan hebt Gij het tot steun en stut
met goedheid willen laven.

4. Daar klonk des Heeren machtig woord,
een grote schare droeg het voort:
Hun legers zijn verslagen.
De vorsten vluchtten voor Hem uit
en vrouwen deelden rijke buit:
God heeft Zijn hulp doen dagen.
Zat gij nog bij uw kudden neer -?
Blank zilver dekt de duivenveer
en goudglans siert hun pennen.
Sneeuw heeft zelfs Salmons berg getooid
toen Hij de vorsten had verstrooid,
Zijn almacht hen deed kennen.

5. Veeltoppig Basan, zo geroemd,
ja, Gods gebergte zelfs genoemd,
wat wilt gij u verheffen?
Ziet gij met afgunst, trots en hoog
op Sion neer, wilt gij voor t oog
Gods woning overtreffen?
Want Hij miskent die hoge toon,
Hij heeft op Sions berg Zijn troon,
de plaats van eerbetoning.
Voorwaar, de Heer die eeuwig leeft,
die deze berg gekozen heeft,
houdt hier voor altijd woning.

6. Gods wagens, dienend voor Zijn werk,
zijn vele duizendtallen sterk,
Zijn wacht beschermt ons leven.
Hij daalde uit den hoge neer;
van Sina heeft zich de Heer
in Zijn tempel begeven.
U steeg omhoog naar t heiligdom,
bracht vrijgemaakten van alom
in Uw triomftocht mede.
U nam van mensen gaven aan,
Heer God, ook van wie U weerstaan:
U woont met hen in vrede.

7. Dank aan de Heer met diep ontzag.
Hij draagt ons, schenkt ons dag aan dag
Zijn rijke gunstbewijzen.
Die God is onze zaligheid,
elk moet Hem, die ons vreugd bereidt,
blij en eerbiedig prijzen.
God, die voor ondergang behoedt
schenkt ons weer nieuwe kracht en moed
en Hij behoudt ons leven.
De Heer maakt ons tot deelgenoot
van Zijn verlossingen uit nood,
zal zeker uitkomst geven.

8. Ja, God verdelgt wie Hem weerstaat,
Hij klieft het hoofd van wie Hem haat
en tegen Hem blijft strijden.
De Heer sprak: Ik breng Sion weer,
het keert terug, dit is Mijn eer,
Ik zal Mijn volk bevrijden.
Ik neem dit volk uit Basan mee,
zelfs uit de diepten van de zee
zal ik Mijn volk verheffen.
Hun hond likt waar hun voeten staan
in t bloed van wie Ik zal verslaan
en met Mijn wraak zal treffen.

9. Men ziet, o God, Uw stoet, t is feest,
voorop het koor, dan blij van geest
hen die op snaren spelen.
Jonkvrouwen met hun tamboerijn,
die blij voor God, mijn Koning zijn
en in Zijn vreugde delen.
Zo prijst het volk met zang en spel
de Levensbron van Isral:
eerst Benjamin, hun leider,
dan Judas stam, die overwon,
sinds Nafthali en Zebulon,
zij loven hun Bevrijder.

10. Uw God, o Isral, geeft macht,
aan Hem ontleent het volk zijn kracht,
die Hij in gunst wil schenken.
O God, wil voortaan onze moed
door daden die U deed en doet
steeds sterken en gedenken.
Om Uw geheiligd huis, o Heer,
is het Jeruzalem tot eer
dat vorsten voor U buigen.
Geschenken uit het verre land
geworden U met gulle hand
om eerbied te betuigen.

11. Dreig het gedierte in het riet,
spaar toch de woeste horden niet,
die stier- en kalverbenden;
dit volk, voor geld op oorlog uit,
dat rooft en plundert en de buit
deelt met hen die ons schenden.
Wil toch verstrooien wie uit nijd,
uit boosheid hunkert naar de strijd;
doe hen Uw macht beseffen.
De vorsten uit Egypteland
zullen met Moren snel de hand
tot God ten hemel heffen.

12. Zingt koninkrijken, God tot eer
en looft met psalmgezang de Heer,
prijst Hem de hoogste Koning.
Hij rijdt de hoogste hemel door,
hoort, hoe geweldig klinkt in t oor
Zijn stem, vanuit Zijn woning!
Erkent Gods macht, Zijn majesteit
ligt over Isral gespreid
Zijn sterkte in de wolken.
Hij, God van Isral geeft macht.
Hij sterkt Zijn volk met moed en kracht.
Prijst God dan, al gij volken!


Psalm 69
1. Red mij, o God, hoe diep ben ik in nood,
nu t water tot de lippen is gekomen,
ik zink in slijk, in bodemloze stromen,
hoog rijst de vloed; ik worstel met de dood.
Mijn keel is hees van roepen in mijn leed,
ik ben vermoeid, mijn ogen zijn bezweken
van uitzien naar mijn God, die mij vergeet
en die mij steeds niet antwoordt op mijn smeken.

2. Want meer nog dan de haren van mijn hoofd,
zijn allen die mij zonder oorzaak haten.
Groot is hun macht, geen onschuld kan mij baten,
men eist terug wat ik niet heb geroofd.
Hoe dwaas ik deed weet gij, o God, zeer wel.
Maak niet om mij beschaamd wie U verwachten,
noch wie U zoekt, o God van Isral,
U, die de Heer bent van de hemelmachten.

3. Om Uwentwil word ik gesmaad, geweerd;
mijn vrienden zijn mij vreemd in mijn ellende,
zelfs voor mijn broers ben ik een onbekende,
want ijver voor Uw huis heeft mij verteerd.
Zij smaden U, maar mij treft ook hun woord.
Ik vast en ween, in rouw slijt ik mijn dagen.
Hoor over mij hen praten in de poort,
hun spotlied geldt mij bij hun drinkgelagen.

4. Maar mijn gebed stijgt op tot U, o Heer,
er is bij U een tijd van welbehagen:
O God, verhoor mij, antwoord op mijn klagen;
kom mij te hulp, zie in genade neer.
Laat mij toch niet verzinken in het slijk,
wil het geweld van al mijn haters stuiten;
geef dat ik niet in vloed of kolk bezwijk,
ach, laat de put zich boven mij niet sluiten.

5. Geef antwoord, Heer, want Uw genaad is groot
en wil voor mij in Uw ontferming zorgen.
Houd Uw gelaat niet voor Uw knecht verborgen,
het is mij bang: help haastig uit de nood.
Kom naar mij toe, red uit des vijands macht,
want Gij kent al mijn schaamte en mijn schande;
zij die mij zo benauwen dag en nacht
staan allen voor U; red mij uit hun handen.

6. Die smaad breekt mij het hart en rooft mijn kracht.
Ik wacht vergeefs een blijk van medelijden.
Geen vriend vond ik als trooster aan mijn zijde;
aan mij werd gal en zure wijn gebracht.
Laat toch hun dis hun worden tot een strik,
ja, tot een val voor al hun metgezellen.
Verblind hun oog, verduister Gij hun blik,
sla blijvend lam wie tegen mij zich stellen.

7. Laat over hen Uw toorngloed brandend gaan
en laat hun toch geen rust meer of verkwikking.
Maak van hun kamp woestijnoord vol verschrikking;
doe onbewoond hun tenten daarop staan.
Want dit geslacht vervolgt hem, die Gij slaat,
hun leedvermaak treft de door U gewonden.
Voeg schuld bij schuld, zodat voor al hun kwaad
onmogelijk nog vrijspraak wordt gevonden.

8. Delg uit het boek dat Gij van ons bewaart,
uit t levensboek, wie U zo trots weerstreven
en laat hun naam niet worden opgeschreven,
bij wie door U rechtvaardig zijn verklaard.
Maar ik, in mijn verdrukking en mijn smart,
zie mij bedreigd door hen die U niet vrezen.
Op U, o God, hoop ik met heel mijn hart,
laat toch Uw heil mij tot bescherming wezen.

9. Ik zal Gods naam bezingen in een lied,
met lofgezang Hem prijzen na mijn klagen.
Dit zal de Heer zeer zeker meer behagen
dan rund of stier die ik ten offer bied.
Zo worden straks ootmoedigen verblijd;
u die God zoekt, schept nu weer nieuwe krachten.
Want Hij, de Heer, die armen hulp bereidt,
zal ook Zijn volk in boeien niet verachten.

10. Gij hemel en gij aarde, geeft Hem eer,
met wat in zee krioelt, daarin mag leven;
want God zal aan Zijn Sion redding geven
en Juda geeft Hij al zijn steden weer.
Daar worden straks Zijn knechten saamgebracht;
daarmee zal Hij als erfgoed hen belonen
en schenken zal Hij het hun nageslacht,
daar zullen wie Zijn naam beminnen, wonen.


Psalm 70
1. O God, kom haastig, zie mij aan!
Heer, red mij van die brute horden
en laat hen rood van schaamte worden,
die mij verwoed naar t leven staan.
Doe wie mijn ongeluk begeren,
afdeinzen in een ogenblik;
drijf op de vlucht met schand en schrik
wie mij door hoongelach onteren.

2. Laat ieder, die U zoekt in nood,
voor U een juichend lied beginnen;
laat allen die Uw heil beminnen,
voortdurend zeggen: God is groot!
Arm ben ik, moeite sloopt mijn krachten,
o God, wend U met haast tot mij!
Mijn redder en mijn hulp zijt Gij.
Kom, Heer en blijf toch niet lang wachten!


Psalm 71
1. Bij U, o Heer, berg ik mijn leven.
Red mij uit angst en strijd
door Uw gerechtigheid.
Beschaam mij nooit; wil uitkomst geven.
Wil horen en van lijden
mij op mijn klacht bevrijden.

2. Wees mij een rots waar ik kan wonen,
waarin ik nacht en dag
mij veilig weten mag.
Zo zult Gij U mijn Redder tonen;
want Gij zult als voor dezen
mijn rots en vesting wezen.

3. Red mij, o God van goddelozen,
wier hand mij houdt omkneld,
zij schuwen geen geweld.
Bevrijd mij uit de greep van bozen.
Op U, Heer zal ik bouwen,
mijn hoop, mijn vast vertrouwen.

4. Vanaf de aanvang van mijn dagen,
bent U mijn steun in nood
ja, van de moederschoot.
Mijn lofzang zal van U gewagen,
U, die mijn hele leven
mijn Helper bent gebleven.

5. Ik was een wonder in veel ogen:
mijn toevluchtsoord waart Gij.
Uw luister roem ik blij,
U zal ik heel de dag verhogen.
Blijf in mijn laatste dagen
nu ik verzwak, mij schragen.

6. Mijn vijanden, ik hoor hen praten,
geef dat hun plan niet slaagt:
mijn leven wordt belaagd.
Zij zeggen: God heeft hem verlaten;
laat ons zijn handen binden:
geen helper zal hij vinden.

7. Laat mij, o God, Uw hulp ontvangen;
houd U niet ver, mijn God.
Beschaam wie mij bespot.
Verdelg hen die mijn dood verlangen;
doe smaad en schande dragen
wie mij zo fel belagen.

8. Maar ik blijf hoopvol Uw naam loven,
Uw recht van dag tot dag
vermelden met ontzag:
Uw heil gaat elk begrip te boven,
ik kan die grote schatten
niet tellen noch bevatten.

9. Uw grote daden zal ik prijzen,
ja, ik vermeld altijd
Heer, Uw gerechtigheid.
O God, U wou mij onderwijzen.
Van jongsaf mocht ik leren
Uw wonderen te eren.

10. O God, nu ben ik oud van jaren,
wil steunen als voorheen,
laat mij dan niet alleen.
Ik meld, als U mij nog wilt sparen,
aan komende geslachten
Uw werk, Uw grote krachten.

11. Ja, tot de hemelen daarboven,
zo hoog, o God, zo wijd
reikt Uw gerechtigheid.
Uw machtig werk moet ieder loven.
Wie kan, hoe hoog gezeten,
met U, o God, zich meten?

12. U deed mij ramp en nood aanschouwen,
maar U zult door Uw macht
mij geven nieuwe kracht;
U trekt uit kolken die benauwen;
geef luister aan mijn leven
en wil Uw troost mij geven.

13. Voor U laat ik dan mijn psalm rijzen;
Uw trouw, mijn God, tot dank,
bij harp- en citerklank.
k Zal Heilge Israls, U prijzen;
in jubelende zangen
zult Gij mijn lof ontvangen.

14. Tot aan het einde van mijn dagen
zing ik, in U verblijd
van Uw gerechtigheid.
k Zal dag aan dag daarvan gewagen,
diep zullen zij zich schamen
die sluw mijn dood beramen.


Psalm 72
1. O God, wil aan de koning schenken
Uw recht en wijs beleid;
wil hem, de koningszoon, bedenken
met Uw gerechtigheid.
Dan komt hij op voor rechtelozen,
wier twistzaak bij beslecht.
Hij zal het volk, door U gekozen,
regeren volgens recht.

2. Dan zullen bergen vrede dragen
en heuvels heilig recht.
Voor heel het volk zal hij doen dagen
het heil, hun toegezegd.
De armen komt hij dan bevrijden
van onrecht en geweld;
hij redt de schamelen uit lijden,
verbrijzelt wie hen kwelt.

3. Zolang er zon of maan zal wezen
tot licht voor dag en nacht,
zolang zal elk geslacht u vrezen
en eren om uw macht.
Hij zal hun zijn als milde regen
die neerdaalt op het gras,
als buien die met rijke zegen
verkwikken het gewas.

4. Dan zullen in zijn dagen bloeien
zij die rechtvaardig zijn;
en grote vrede zal er groeien
totdat geen maan meer schijnt.
Van zee tot zee zal hij regeren,
zover men volken vindt.
Men zal van oost en west hem eren
en prijzen zijn bewind.

5. Zij die de woestenij bewonen
gaan buigen voor zijn wil;
zijn vijand zal hem eerbied tonen,
de bozen zwijgen stil.
Van Tarsis en de verre stranden,
brengt men geschenken aan;
ook zal men uit de zuiderlanden,
met schatting tot hem gaan.

6. Ja, elke koning zal zich buigen
en knielen voor hem neer.
Elk volk zal van zijn macht getuigen,
hem dienen als hun heer.
Voorwaar, hij luistert naar de arme
die alle steun ontbreekt;
helpt de verdrukte uit erbarmen,
als hij om redding smeekt.

7. Geringen vinden zijn bescherming,
als onrecht hen bedroefd;
hun leven redt hij, vol ontferming
voor wie zijn hulp behoeft.
Hij zal hen van geweld bevrijden,
hoe zwaar de last ook woog;
hun bloed, hun tranen en hun lijden
zijn kostbaar in zijn oog.

8. Zo zal de koning altijd leven,
gekroond met Schebas goud;
zijn volk zal steeds hem zegen geven,
het bidt voor zijn behoud.
Dan groeit het graan als nooit tevoren,
gekoesterd door de zon;
zelfs op de bergen ruist het koren
als op de Libanon.

9. Ook in de stad zal leven groeien,
als op het veld het kruid.
Zolang de zon schijnt zal ook bloeien
zijn naam eeuw in eeuw uit.
Ja, alle volken, allerwegen,
zij prijzen hem tezaam,
elkander groetend met de zegen
van zijn doorluchte naam.

10. Hij, God de Heer, zij hoog geprezen
door alle eeuwen heen.
De God, die Isral moet vrezen,
doet wondren, Hij alleen.
Zijn naam moet eeuwig eer ontvangen,
die straalt in heerlijkheid.
Vol zij de aarde van Zijn zangen.
Ja, amen, voor altijd.


Psalm 73
1. Voorwaar, God is Zijn bondsvolk goed,
Zijn Isral, dat Hij behoedt.
Hoe goed wil Hij voor allen wezen,
die rein van hart, Hem altijd vrezen.
Maar ik, hoewel ik dit goed weet,
kwam haast ten val in al mijn leed.
Mijn voet gleed bijna van het pad,
daar afgunst mij bevangen had.

2. Want trotsaards zag ik nijdig aan,
die pochers, vol van eigenwaan:
toen ik de voorspoed zag van bozen,
die welstand van de goddelozen.
Voor moeiten worden zij behoed,
gaaf is hun lichaam, weldoorvoed.
Voor kwelling worden zij bewaard,
die anderen niet blijft bespaard.

3. Daarom is trots hun halssieraad,
dient hun geweld tot pronkgewaad.
De eigendunk straalt uit hun ogen,
daar zij op hun verbeelding bogen.
Boosaardig klinkt hun spottend woord,
daar onderdrukking hen bekoort.
Hun mond tast zelfs de hemel aan,
op aarde maken zij zich naam.

4. Daarom geeft hun zijn volk gehoor,
zwelgt het hun woord als water door.
Zij zeggen: Hoe zou God het weten,
is d Allerhoogste dit vergeten?
Zie hoe het goddelozen gaat:
hun boosheid brengt hen blijkbaar baat;
want in hun onbezorgd bestaan
groeit hun bezit voortdurend aan.

5. Maar tevergeefs hield ik mij rein;
wat baat het vrij van schuld te zijn?
In onschuld waste ik mijn handen,
doch mij bedreigen smaad en schande.
Mij treffen plagen, slag op slag;
ik word getuchtigd dag aan dag.
En nooit was er een morgenstond
waarin ik geen bestraffing vond.

6. Indien ik ook zo spreken zou,
was ik Uw volk niet meer getrouw.
dan zou ik trouweloos gebleken,
van hun geslacht zijn afgeweken.
Ik tobde om dit na te gaan,
een kwelling was mij het verstaan,
tot ik uit mijn verbijstering
Gods heiligdommen binnenging.

7. Daar gaf ik op het einde acht
van heel dit goddeloos geslacht.
Want Gij zet hen op gladde wegen,
komt snel hen met verschrikking tegen.
Als hun geluk een puinhoop wordt,
zijn ze vergaan, ineengestort;
wanneer U opstaat, Heer, in kracht
en U hun droombeeld dan veracht.

8. Ik was verbitterd in mijn hart
en werd opstandig in mijn smart.
Geprikkeld door de vele slagen
was ik vol wrevel in mijn klagen.
Ik was een dwaas, een onverstand,
liet mij niet leiden door Uw hand;
was als het redeloze beest
zo dwaas ben ik bij U geweest.

9. Toch zal ik altijd bij U zijn
in al mijn noden, angst en pijn,
U al mijn liefde waardig schatten,
U, die mijn rechterhand omvatte.
Want Gij die nimmer mij verlaat,
U zult mij leiden door Uw raad.
En dan, hiertoe door U bereid,
neemt Gij mij op in heerlijkheid.

10. Wie heb ik dan naast U, omhoog?
Waarin verlustigt zich mijn oog?
Op aarde zal mij niets bekoren:
alleen bij U wil ik behoren.
Al zou ik zijn in bange nood,
mijn hart bezwijken door de dood,
dan blijft in eeuwigheid gewis,
dat God mijn rots en erfdeel is.

11. Want wie ver zwerft van U vandaan,
die zal voorwaar te gronde gaan.
Daar U verdelgt al wie U haten
en overspelig U verlaten.
Maar dit is al wat ik begeer:
dat ik nabij mijn God verkeer;
mijn toevlucht is geheel en al,
de Heer, wiens werk ik roemen zal.


Psalm 74
1. Waarom, o God, verstoot Gij voor altoos,
verzengt Uw toorn de schapen van Uw weide?
Denk aan wie Gij als Uw gemeente leidde:
de stam die Gij van ouds tot erfdeel koos.

2. Denk aan Uw berg, aan Sion, waar U woont.
Richt naar Uw huis, Uw heiligdom, Uw schreden;
t Ligt al in puin, omvergehaald, vertreden;
daarbinnen heeft de vijand niets verschoond.

3. Zij brulden in de woning van Uw heil,
hun vaandels hoog als teken opgestoken.
Al 't snijwerk werd met het houweel verbroken,
als kreupelhout verbrijzeld met de bijl.

4. Ook staken zij Uw heiligdom in brand;
om tot de grond Uw tempel te ontwijden.
Zij spraken af: Laat ons dit volk kastijden.
Door vuur verging elk godshuis in het land.

5. Niets is er wat voor ons als teken geldt.
Niet een profeet spreekt tot ons in verrukking.
Geen van ons weet wanneer aan de verdrukking
een einde komt, aan al dit bruut geweld.

6. Hoe lang nog hoont de vijand U, o God;
zal hij Uw naam voor altijd dan verachten?
Waarom laat Gij Uw rechterhand nog wachten?
Strek haar toch uit, verdelg wie U bespot!

7. En toch is God mijn Koning van ouds af,
die overal Zijn redding brengt op aarde.
U bent het, die Uw volk getrouw bewaarde;
de zee gekliefd hebt met Uw heersersstaf.

8.U bent het, die door Uw geduchte hand,
verbrijzeld hebt de koppen van de draken;
Uw grote kracht spleet Leviathans kaken,
woestijnwild at zijn aas op in het zand.

9. U bent het die de aarde openscheurt
en bronnen doet met kracht tevoorschijn breken;
U bent het ook die waterrijke beken
verdrogen doet, zodat de akker treurt.

10. U bent de God die dag en nacht eens schiep;
die licht en zon een taak en plaats bereidde.
U bent de God die zee en land eens scheidde,
de zomer en de winter scheppend riep.

11. Denkt U hieraan, Heer, nu de vijand hoont,
U wordt veracht door een verdwaasde rover;
geef t leven van Uw tortelduif niet over
aan t wilde beest dat geen ontferming toont.

12. Denk aan Uw volk, door vijanden gekweld.
Aanschouw t verbond, Uw trouw door ons genoten,
want nu is t land door duisternis omsloten
en overal vol holen van geweld.

13. Help toch, beschaam de onderdrukte niet,
wil in zijn nood de arme bijstand zenden;
wie onrecht lijdt, maar zich tot U zal wenden,
laat die Uw naam weer prijzen met een lied.

14. Sta op, o God! Spreek recht voor ieders oog.
Let op de smaad, U aangedaan door dwazen.
Denk er toch aan: Uw tegenstanders razen
en hun getier stijgt steeds weer naar omhoog.


Psalm 75
1. U, o God, U loven wij
U komt lof toe, altijd weer.
Wij geven U dankbaar eer
want Uw naam is ons nabij.
Daarom spreekt men vol ontzag
van Uw wondren dag aan dag.

2. Ik bepaal Mijn eigen tijd
en Ik oordeel volgens recht.
Is geen fundament meer hecht,
mist de wereld vastigheid.
Ik heb ondanks woest geweld
haar pilaren vast gesteld.

3. Tot de trotsen klinkt Mijn woord:
O wees toch niet zo verblind.
En tot hem die kwaad bemint:
Ga niet in uw hoogmoed voort;
hef uw hoofd niet trots omhoog,
weet dat Ik dit niet gedoog.

4. Oost noch west noch de woestijn
brengen het verhogen aan.
God stelt vast waar elk moet staan:
Hij alleen zal Rechter zijn.
Wie zich hoog acht werpt Hij neer,
maar wie klein is geeft Hij eer.

5. s Heeren hand toch heft een kelk
vol met sterk gekruide wijn.
Hij schenkt daaruit wat voor elk
zijn rechtvaardig deel zal zijn.
Hij, die het bezinksel geeft
aan elk die in boosheid leeft.

6. Maar ik vind mijn hoogst genot
in mijn psalmzang, in mijn lied.
Ik meld altijd wat geschiedt
door de hand van Jakobs God.
Ik breek al der bozen kracht;
wie rechtvaardig leeft, krijgt macht.

Psalm 76
1. Groot is in Judas land Gods faam;
groot is in Isral Zijn naam.
In Salem waar Hij woning vond,
heeft Hij Zijn Sionsburcht gegrond.
Daar heeft Hij zelf, in toorn ontstoken,
de kracht van boog en zwaard verbroken.

2. In blinkend licht dat U omgaf
kwam U van t roofgebergte af.
Wie trots van hart nog weerstand bood,
kwam uitgeschud, in stervensnood.
Geen held vond kracht zich te bevrijden;
in slaap verzonken vόόr het strijden.

3. O God van Jakob, door Uw macht,
zonk paard en ruiter zonder kracht
in diepe slaap, want wie houdt stand
voor U, wanneer Uw toorn ontbrandt?
U liet alom voor aller oren
vanuit de hemel t oordeel horen.

4. Toen werd de aarde stil van vrees,
daar God verrijzend vonnis wees;
opdat, wie zich in ootmoed boog,
in vrijheid staan zou voor Zijn oog.
Voorwaar, U zult nog lof bereiden
uit al wie grimmig U bestrijden.

5. Doet uw geloften aan de Heer,
betaald die, geeft uw God de eer.
Brengt met al wie rondom Hem staan
de Geduchte uw gaven aan;
Hem die der vorsten toorn bedaarde,
vrees wekt bij koningen der aarde.


Psalm 77
1. Luid roep ik in angst en beven,
schreeuw tot God, die hulp kan geven,
steeds ga ik met roepen voort
totdat God mijn smeken hoort.
Ja, ik zoek de Heer in dagen
dat benauwdheid mij doet klagen;
onvermoeibaar, zelfs bij nacht,
strekt mijn hand zich uit en wacht.

2. Diep bedroefd, als nooit tevoren,
wil ik van geen troost meer horen;
zuchtend om mijn droevig lot
kreun ik, als ik denk aan God.
Waarom laat Hij mij maar vragen,
angstig tobben hele dagen?
Peins ik, dan versmacht mijn geest,
k ben neerslachtig en bevreesd.

3. U laat mij het oog niet sluiten,
ook mijn smart kan ik niet uiten;
voor mijn onrust, mijn verdriet
vind ik zelfs de woorden niet.
Ik denk aan vervlogen jaren,
hoe ik speelde op mijn snaren;
daaraan peins ik in de nacht,
veel reeds heeft mijn geest doordacht.

4. Zal de Heer Zijn gunstgenoten,
dan voorgoed van zich verstoten;
niet goedgunstig zijn voortaan
en hen niet meer gadeslaan?
Is Zijn trouw geheel verdwenen,
wil Hij ons geen hulp verlenen;
Zijn belofte voor t geslacht
is die nu niet meer van kracht?

5. Ach, vergeet God Zijn genade,
houdt Hij niet terug het kwade;
eindigt Zijn barmhartigheid;
is Hij toornig voor altijd?
Dan zeg ik: Dit krenkt mijn leven,
dat Hij geen gehoor wil geven;
dat de Allerhoogste niet
als weleer mij uitkomst biedt.

6. Ik zal s Heeren werk gedenken;
aan Uw daden aandacht schenken;
al Uw wondren gadeslaan
die U eertijds hebt gedaan.
k Zal van wat Gij deed gewagen,
van Uw gunst in vroeger dagen,
steeds wordt door mij overdacht
wat Gij hebt tot stand gebracht.

7. Heilig zijn, o God, Uw wegen,
altijd voor Uw volk ten zegen.
Wie toch komt ooit God nabij,
onbeperkt in heerschappij?
U bent God, die wondren werkte,
daarin blijk gaf van Uw sterkte.
Zo deed Gij Uw macht alom
kennen aan het heidendom.

8. U hebt, door Uw arm te strekken,
eens Uw volk vrij uit doen trekken.
U hebt Jakobs huis gered,
Jozefs ondergang belet.
t Water zag, o God, U komen,
ja, het zag U en de stromen,
sprongen sidderend omhoog,
diepten beefden voor Uw oog.

9. Wolken braken als een wonder,
van het werk weerklonk de donder;
ook Uw pijlen vlogen rond
en de bliksem trof de grond.
Tijdens dichte regenvlagen
dreunden zware donderslagen;
heel de wereld was vol vuur,
daarde schokte in dit uur.

10. Door de zee koost Gij Uw wegen,
stromen hielden U niet tegen;
nergens wees Uw voetspoor aan,
waar Uw gangen zijn gegaan.
Zorgzaam, als een trouwe herder,
leiddet Gij Uw kudde verder;
Mozes en Arons hand
bracht die naar t beloofde land.


Psalm 78
1. Mijn volk, ik ga geheimen openleggen,
wend nu het oor tot wat ik u zal zeggen.
U kunt van mij verborgenheden leren,
ik leer het woord van voorouders waarderen.
Wat aan ons volk tevoren is geschied
verhaal ik in de woorden van mijn lied.

2. Al wat aan ons de voorouders vertelden,
dat moeten wij aan onze kindren melden;
die mogen dat hun kindren niet verhelen,
doch s Heeren kracht en daden mededelen,
al wat roemrijk is uit aloude tijd,
Zijn wonderen gedaan met wijs beleid.

3. Jakob moest op Zijn grote daden letten,
eertijds gaf Hij aan Isral Zijn wetten.
Hij eiste, dat de ouders zich verplichtten
hun kroost getrouw daarin te onderrichten;
opdat zo aan het volgende geslacht
de kennis van die wet werd bijgebracht.

4. Opdat elk kind, uit dat geslacht geboren,
wat in de wet geschreven staat, zou horen;
dit onderwijs zich tot zijn plicht zou stellen
en op zijn beurt zijn kinderen vertellen,
om zo, op God vertrouwend voort te gaan,
vergetend nooit het werk door God gedaan.

5. Zo moet die jeugd Zijn wetten trouw bewaren,
hun voorgeslacht toch nimmer evenaren;
dat boos geslacht, van oudsher onstandvastig,
een wrokkend volk, onwillig en weerbarstig.
hun geest bleek niet getrouw te zijn aan God;
hun dwaalziek hart verachtte Zijn gebod.

6. Want Efraim, wel toegerust tot strijden,
keerde zich om, de strijd wilden zij mijden.
Zij bleken niet naar Gods verbond te leven
en wensten niet Zijn wet gehoor te geven.
Hoewel Hij hen Zijn grote macht liet zien,
vergaten zij Zijn wondren bovendien.

7. Voorheen, toen zij nog in Egypte waren,
deed Hij aan hen Zijn wonderen ervaren;
liet door de zee voor hen een pad bereiden:
een watermuur rees op aan beide zijden;
Hij was hun Gids die hen de vrijheid bracht:
een wolk bij dag, een vurig licht bij nacht.

8. Hij deed Zijn volk door bronnen te ontsluiten,
uit harde rots, veel helder water spuiten.
Toen, met geweld en kracht door niets te breken
groef het zijn weg, verbreedde zich tot beken.
Hij heeft in de woestijn Zijn volk gevoed,
dicht bij Hem had het altijd overvloed.

9. Toch bleef ook toen hun hart in dwaas begeren
zich tegen Hem, de Allerhoogste keren.
In de woestijn verhardden zij hun harten:
zij eisten spijs en durfden God te tarten.
Zij zeiden: Kan God in de wildernis
ons noden aan een welvoorziene dis?

10. Kan Hij, die uit de rots een beek deed stromen,
Zijn volk ook brood of vlees hier toe doen komen?
Zo spraken zij en toen de Heer dit hoorde,
werd Hij vertoornd om zulke hoge woorden.
Zijn toorn trof toen het hele Isral,
een vuur kwam neer op Jakob, zwaar en fel.

11. Omdat zij niet in God wilden geloven
en zagen geen heil in Zijn hulp van boven.
Hij spijsde hen met manna elke morgen,
met hemels brood ging Hij hen toen verzorgen.
Elk at dit brood der engelen als spijs,
Hij zond het hun als teerkost op de reis.

12. Hij deed aan t zwerk de oostenwind losbreken,
liet door Zijn kracht de zuidenwind opsteken.
Hij stortte vlees op hen als dichte regen:
talrijk als zand, veel vogels allerwegen.
Dit viel voor hen rondom hun woning neer,
in heel het kamp leed niemand honger meer.

13. Hij schonk hun spijs volop, zoveel zij wilden,
opdat zij hun begeerte daarmee stilden.
Toen elk nog at is God in toorn ontstoken,
is tegen hen Zijn oordeel losgebroken.
Hij zond Zijn plaag, richtte een slachting aan,
Hij deed de bloem van Isral vergaan.

14. Het volk ging voort en zondigde nog verder,
zonder geloof in wondren van hun Herder.
In damp liet Hij toen opgaan al hun dagen,
hun jaren, vol verschrikking door Zijn plagen.
Maar bracht Hij dood, dan vroegen zij naar Hem,
bekeerden zich en hoorden naar Gods stem.

15. Elk van hen dacht toen in een stil vertrouwen
dat God de rots was waarop hij kon bouwen.
De hoogste God mocht hun Verlosser wezen.
Toch bleef hun hart Hem niet standvastig vrezen;
vals was het woord dat uitging van hun mond,
zij waren niet getrouw aan Zijn verbond.

16. Maar Hij bleef aan hun zonden niet gedachtig,
bracht hen niet om, verzoende t kwaad barmhartig.
Hij deed Zijn toorn herhaalde malen wijken
en liet hen niet Zijn volle gramschap blijken;
want Hij gedacht: De mens is maar een zucht,
een ademtocht, die snel vervliegt als lucht.

17. Hoe vaak zijn zij, in wilde, dorre streken,
in de woestijn, weerspannig afgeweken.
Hoe hebben zij, te midden van woestijnland
Hem weer getart, ondankbaar door hun weerstand.
Opnieuw werd God verzocht en hoe rebels,
hoe tergden zij de Heilge Israls.

18. Zo was er geen herinnering gebleven
dat Hij Zijn hand verhief in Zoans dreven.
Zij zagen toen als bloed hun Nijlstroom komen;
zelfs maakte Hij ondrinkbaar al hun stromen.
Hij zond hen ook de steekvlieg tot verderf,
de kikvors kwam, drong door tot huis en erf.

19. Ook heeft Hij al hun akkers kaal doen vreten,
deed hun gewas door sprinkhanen opeten.
Hun wijnstok liet Hij door de hagel sterven,
de ijzel deed de moerbeiboom verderven.
Hij sloeg met vuur het vee, hun eigendom,
hun kudden door de hagel kwamen om.

20. Hij heeft Zijn toorn al brandend uitgegoten,
in gramschap hen angstwekkend weggestoten.
Engelen van verderf liet Hij hen treffen
en voor Zijn toorn maakte Hij Zijn pad effen.
Hij hielp hen niet meer in hun stervensnood,
maar voerde door de pest hen in de dood.

21. Om naar Zijn wil Egyptes macht te dwingen,
trof hij Cham toen in al zijn eerstelingen
en leidde Hij Zijn volk als schapen verder
door de woestijn als hun getrouwe Herder.
Op t veilig pad heeft niets hun vrees gewekt;
de zee had wie hen najoeg overdekt.

22. Hij boog naar Zijn geheiligd land hun wegen,
naar Sion, door Zijn rechterhand verkregen.
Voor hen heeft Hij de volken uitgedreven,
hun land aan hen als erfbezit gegeven.
Voor Isral liet Hij hun tenten staan;
zijn stammen wees Hij die als woning aan.

23. Maar Zijn volk bleef, God tartend, murmureren,
zich tegen Hem, de Allerhoogste keren.
Zij gingen op hun voorouders gelijken,
zoals een boog die t schot steeds af doet wijken.
Zwaar tergden Hem hun hoogten keer op keer,
jaloers zag Hij op al hun beelden neer.

24. Hoe sterk God met Zijn toorn hen overlaadde,
bleek toen Hij Zijn volk Isral versmaadde;
gaf Silo prijs waar Hij Zijn gunst betoonde,
de tent, waarin Hij bij de mensen woonde.
Hij liet Zijn ark ontvoeren naar vreemd land;
Zijn sieraad gaf Hij in des vijands hand.

25. Toen heeft Hij aan het zwaard hen prijsgegeven,
Zijn erfdeel heeft Hij voor Zijn toorn doen beven.
Door vuur deed Hij hun jongeling verteren,
geen bruidslied mocht hun jonge dochters eren.
Hun priesters zijn toen door het zwaard gedood,
geen weduwe vond tranen in haar nood.

26. Als een door wijn bedwelmd, verkwikt door slapen,
zoals een held die omziet naar zijn wapen,
zo stond de Heer toen op, om te vergelden,
wie tegen Hem hun trotse afkeer stelden.
Hij dreef hen voor zich uit, vergold hun kwaad,
bracht over hen nooit uit te wissen smaad.

27. In Jozefs tent bleef Hij niet langer wonen,
aan Efraim wou Hij geen voorkeur tonen.
Op Juda s stam heeft Hij het oog geslagen,
op Sions berg de plaats van Zijn behagen
bouwde Hij daar Zijn woning, Hem gewijd,
als d'aarde, die Hij grondde voor altijd.

28. Daarna koos Hij van zogend vee genomen,
David Zijn knecht en deed tot eer hem komen.
Die zou voortaan Zijn Jakob mogen weiden
en Isral, Zijn erfdeel veilig leiden.
Oprecht van hart is die hen onbevreesd,
als herder tot een kundig gids geweest.


Psalm 79
1.O God, wij zijn door heidenen besprongen,
die met geweld Uw erfdeel binnendrongen.
Jeruzalem, zijn tempel en altaren,
het ligt verwoest door die geweldenaren.
Uw knechten zijn gedood,
men heeft hun lichaam snood
geworpen voor de gieren:
zij vielen door hun hand en stierven in het zand,
ten prooi aan wilde dieren.

2. Hoe werd het bloed van zoveel gunstgenoten
als water om Jeruzalem vergoten;
de doden die daar op de velden bleven,
heeft niemand ooit een eervol graf gegeven.
Elk die op U vertrouwd,
wordt door veel smaad benauwd:
wij zijn verschoppelingen.
Ons treffen spot en hoon,
hoe stelt Gij ons ten toon
aan wie Uw volk omringen.

3. Hoe lang Heer, zal Uw toorn nog zijn ontstoken,
zal die altijd als vuur dan blijven roken?
Stort toch Uw wraak op hen, die ons verteren,
op volken die Uw grote naam onteren.
Ten ondergang gebracht
is Jakob door hun macht,
gedompeld in ellende;
woest ligt nu heel zijn land,
geplunderd door hun hand,
vernietigd door die benden.

4. Wil aan het kwaad van t voorgeslacht niet denken,
snel ons te hulp, wil Uw ontferming schenken;
God van ons heil, wij zijn zeer zwak geworden,
denk aan Uw eer, verlos ons van die horden.
Verzoen Gij al het kwaad,
dat ons voor ogen staat,
laat U door ons verbidden.
t Geldt toch Uw naam. o God,
wanneer de heiden spot:
Is God niet in hun midden?

5. Wil voor ons oog nog onze zaak beslechten
en wreek het bloed van Uw verslagen knechten.
Hoor en bevrijd wie in de kerker zuchten
en die tot U in doodsgevaren vluchten.
De smaad, U aangedaan,
het kwaad dat werd begaan,
vergeld het zevenvuldig.
U komt de wraak toe, Heer.
Hoe schonden zij Uw eer;
houd hen toch niet onschuldig.

6. Dan zullen wij de schapen van Uw weide,
ons leven lang, Uw lof , Uw eer verbreiden
en prijzen van geslachten tot geslachten
Uw trouw, Uw roem, Uw wonderbare krachten.


Psalm 80
1. Neig, Herder Israls, Uw oren;
wil ons gebed om redding horen.
Toon U tot hulp aan ons bereid,
U, die als schapen Jozef leidt.
Verschijn in lichtglans, U die woont
daar waar U op de cherubs troont.

2. Dat wij uw macht aanschouwen mogen
ontwaak in kracht voor onze ogen.
Zet d aanval voor Manasse in,
voor Efraim en Benjamin.
O God, herstel ons, schenk Uw licht
dat afstraalt van Uw aangezicht.

3. O Heer, o God der hemelscharen,
wanneer laat Gij Uw gramschap varen?
Hoe lang nog U in toorn verzet
wanneer Uw volk smeekt in gebed?
Met tranen drenkt Gij ons in nood,
U geeft als voedsel tranenbrood.

4. Door allen die rondom ons wonen,
laat Gij ons ongehinderd honen.
O God, red door Uw hemelmacht,
verlos ons van dit boos geslacht.
Keer weer, herstel ons, schenk Uw licht
dat afstraalt van Uw aangezicht.

5.Gedenk hoe U in vroeger jaren
voor ons geen volk hebt willen sparen.
Uw wijnstok uit Egypteland
hebt Gij in dit gebied geplant,
de bodem voor hem toebereid,
hem daar doen groeien rijk en wijd.

6. Hij dekte bergen met zijn ranken,
gaf koele schaduw aan hun flanken.
Zijn twijgen klommen voor Uw oog
als ceders Gods zo ver en hoog;
zijn takken reikten tot het strand,
zijn scheuten tot het Stromenland.

7. Waarom hebt Gij zijn muur doorbroken,
is hij van veiligheid verstoken?
Nu plukt men vrij zijn rijpe vrucht,
het boszwijn teistert hem geducht.
Hij kwijnt, geschonden door geweld
van wat zich roert in woud en veld

8. Keer weer, o God der hemelscharen,
merk op, wat ons is wedervaren.
Aanschouw de stek die in dit land
geplant werd door Uw rechterhand.
Gedenk de zoon die Gij bemint
en grootbracht als Uw eigen kind.

9. Uw wijnstok werd door vuur geschonden,
als vuilnis door de vlam verslonden;
Uw volk vergaat voor Uw gericht,
smelt voor Uw dreigend aangezicht.
Gedenk de mens die Gij bemint
en grootbracht als Uw eigen kind.

10. Als Gij opnieuw Uw gunst doet blijken,
dan zullen wij van U niet wijken.
Maak Gij ons levend en tezaam
aanbidden wij Uw grote naam.
Doe Uw gelaat ons lichten, Heer,
o God, red ons, herstel ons weer.


Psalm 81
1. Jubelt nu vol vreugd
God toe, onze sterkte.
Juicht in Hem verheugt,
naar t aloud gebod.
Eert zo Jakobs God
die uw heil bewerkte.

2. Heft nu zangen aan;
laat bazuinen schallen.
Schudt bij nieuwe maan
blij de tamboerijn.
Laat er harpspel zijn.
Speelt en jubelt allen.

3. Zo doet Jakobs God
Isral getuigen;
zo was het gebod
dat Hij Jozef gaf,
toen zijn strenge straf
Farao deed buigen.

4. Daar hoor ik een stem
die ik nog niet kende:
Ik neem af van hem
last en zware druk;
die het slavenjuk
van zijn schouders wendde.

5. Nood dreef u tot Mij;
antwoord in de donder
gaf Ik, u was vrij;
toetste u daarna;
gaf bij Meriba
wateren als wonder.

6. Hoor, Mijn Isral,
leef naar Mijn geboden!
Dit is Mijn bevel:
Geef geen afgod eer,
buig u nimmer neer
voor de vreemde goden.

7. Want Ik ben de Heer,
die uw God wil wezen.
Geef alleen Mij eer,
die u door Mijn hand
uit Egypteland,
leidde, zonder vrezen.

8. Open wijd uw mond,
zeg vrij uw verlangen;
Ik vervul terstond
al wat u ontbreekt.
U zult wat gij smeekt
rijkelijk ontvangen.

9. Maar Mijn volk heeft niet
Mijn stem willen horen.
Isral verliet
en weerstreefde Mij.
Toen liet Ik het vrij
dwalen op zijn sporen.

10. Had Mijn volk maar wel
naar Mij willen horen.
Ach nam Isral
nu Mijn raad nog aan.
Mocht Mijn weg te gaan
blijvend hen bekoren!

11. Ik zou wie weerstond
spoedig laten bukken,
boog tot aan de grond
wie hen tegenstaan.
Ja, Mijn hand zou slaan
wie Mijn volk verdrukken.

12. Haters van de Heer
zouden Hem dan vrezen,
bogen veinzend neer
voor Zijn aangezicht.
Aan Zijn strafgezicht
zou geen einde wezen.

13. Hij zou kostbaar graan
voor Zijn volk doen groeien.
Ik gaf u voortaan
ruim uw deel daarvan.
Ja, zou honing dan
uit de rots doen vloeien.


Psalm 82
1. God staat te midden van de goden,
zij horen niet naar Zijn geboden.
Hij daagt de rechters voor t gerecht,
het oordeel wordt hun aangezegd.
Hoe lang nog zult gij onrecht plegen?
Wordt ook bij u geen recht verkregen?
Verafschuwt gij een rechtspraak niet
die goddelozen gunsten biedt?

2. Beschermt de wezen en geringen,
wees eerlijk in hun rechtsgedingen.
Bevrijdt uit goddeloze hand
verdrukte armen en uw land.
Het onverstand bestuurt hun daden,
zij dwalen rond op duistre paden.
Zo wankelt heel het fundament
der aarde, die geen recht meer kent.

3. Ik gaf u wel de naam van goden,
- de Allerhoogste noemt u zonen-
toch, als een vorst, hoe sterk en groot,
komt gij ten val, vindt gij de dood.
Sta op, o God, zend Uw gerichten
naar wie op aarde onheil stichten.
Want volk bij volk is toch alom
van U alleen het eigendom.


Psalm 83
1. Houd U niet stil, o God, zwijg niet,
grijp in, o God , die alles ziet.
Uw haters trachten ons te treffen,
zie hoe zij tierend zich verheffen,
met valse list Uw volk verraden
en Uw beschermelingen smaden.

2. Zij zeggen: Sla dat volk toch neer,
gun Isral geen leven meer,
laat zelfs die naam vergeten worden.
Verzameld zijn hun wrede horden,
eenparig in verbond getreden
om tegen U hun plan te smeden.

3. Naast Hagar, Gebal, Edomiet,
staan Ismal en Moabiet.
Aan Ameleks, aan Ammons zijde,
Tyrus en Filstea strijden.
Zelfs Assur heeft zich aangesloten,
zijn steun heeft Lots geslacht genoten.

4. Sla hen als Midian weleer,
als Sisera en Jabin neer,
wier lijken bij de Kison bleven.
Bij Endor lieten zij hun leven,
Doe al hun vorsten en vazallen
als Zebah en Zalmuna vallen.

5. Straks nemen wij, zo klinkt het trots,
voor ons de woongebieden Gods.
Mijn God, doe hen als kaf verwaaien,
verjaag hen, alsof vuur komt laaien
dat van de bergen alle wanden
in vlam zet, heel het woud doet branden.

6. Wek bij hen in n ogenblik
door woeste wervelwinden schrik;
doe over hen Uw stormen trekken;
laat schaamte hun gelaat bedekken,
opdat zij, zwaar door U geslagen,
dan naar Uw Naam, o Heer, gaan vragen.

7. Doe hen verschrikt, ontredderd staan,
laat hen beschaamd te gronde gaan,
hen zo voor eens en altijd weten
dat U in hoogheid bent gezeten.
Die zich als Heer van heel de aarde,
als Allerhoogste openbaarde.


Psalm 84
1. Hoe liefelijk zijn altijd weer
de woningen van U, o Heer,
van U, de Heer der hemelscharen.
Een brandend heimwee grijpt mij aan
om s Heeren voorhof in te gaan
waar hart en mond hun jubel paren
tot God, die ik daar straks ontmoet,
de Levende, die leven doet.

2. Zelfs vindt de mus een eigen huis,
de zwaluw bergt haar jongen thuis,
hun kroost is t veilig nest tot woning.
Zo is Uw altaar steeds geweest
een toevlucht, waar ik onbevreesd
mag schuilen, Heer, mijn God en Koning.
Gelukkig wie daar wonen mag,
om U te loven dag aan dag.

3. Gelukkig ieder mensenkind
dat al zijn sterkte in U vindt:
zijn hart kent de gebaande wegen.
Al gaan zij door het dorre dal,
zij vinden bronnen overal;
weldadig daalt de vroege regen.
Zo komen zij van kracht tot kracht
in Sion aan, waar God hen wacht.

4. Heer, God der hemelscharen, hoor;
o God van Jakob, neig Uw oor,
zie Uw gezalfde in Uw tempel.
Want een dag in Uw huis is mij
zelfs meer dan duizend, waar het zij;
veel liever wil ik aan de drempel
van God, mijn God Zijn woning staan
dan in de tent van bozen gaan.

5. Want God, de Heer, zo goed en mild,
is altijd ons een zon en schild.
Hij zal genaad en luister geven.
De Heer onthoudt hun t goede niet,
die dankbaar doen wat Hij gebiedt,
wie in oprechtheid voor Hem leven.
Gelukkig hij, die op U bouwt,
der hemelscharen Heer vertrouwt.


Psalm 85
1. Gij hebt, o Heer, Uw land Uw gunst betoont,
t is Jakob die opnieuw in vrijheid woont;
zijn zonden wilt Gij niet meer gadeslaan,
U hebt de schuld van Uw volk weggedaan.
U vaagde weg al Uw verbolgenheid,
hoe heerlijk is Uw goedheid uitgebreid
Uw hete toorn is van ons afgewend:
hij brandt niet meer voor ieder die U kent.

2. God van ons heil, zie aan ons groot verdriet,
herstel ons, doe Uw afkeer toch te niet!
Houdt tegen ons Uw boosheid altijd aan
en blijft Uw toorn geslachten lang bestaan?
Bent U het niet die ons nieuw leven geeft
opdat Uw volk in U zijn vreugde heeft?
O Heer, toon ons weer Uw goedgunstigheid
en schenk Uw heil, maak ons in U verblijd!

3. k Zal horen al wat God, de Heer, mij zegt;
Hij spreekt tot hen die trouw zijn en oprecht,
van vrede voor elk die Zijn gunst geniet,
maar kies als volk opnieuw de dwaasheid niet.
Voorwaar, God redt en troost ons allermeest;
Zijn heil is dicht bij wie Hem ernstig vreest,
zodat Zijn eer met luister bij ons woont,
Zijn heerlijkheid zich in ons land vertoont.

4. Genaad en trouw gaan dan weer hand in hand,
de vrede kust het recht in heel het land,
dan spruit de trouw volop uit d aarde weer,
gerechtigheid ziet van de hemel neer.
Ook schenkt de Heer het allerbeste deel
en brengt ons land zijn vrucht op, rijk en veel;
dan komt Hij zelf, het recht gaat voor Hem uit
als een heraut, die Hem de weg ontsluit.


Psalm 86
1. Neig Uw oor, Heer, hoor mijn klachten;
laat niet tevergeefs mij wachten.
Arm toch ben ik en in nood;
mijn ellende is zeer groot.
Wil dan mijn beschermer wezen,
want, mijn God, U blijf ik vrezen.
Schenk Uw knecht, die op U bouwt,
gunstig redding en behoud.

2. Wees, o Heer mij nu genadig,
want ik roep tot U gestadig.
Geef Uw knecht de blijdschap weer:
k hef mijn hart tot U, o Heer.
Want U bent Heer, goed gebleken
voor wie U om uitkomst smeken;
tot vergeving steeds bereid,
rijk in Uw goedgunstigheid.

3. Heer, wil naar mijn smeken horen;
neem mijn luide klacht ter ore.
Toon mij, dat Gij daarop let,
acht wilt slaan op mijn gebed.
In benauwde, bange dagen
blijf ik U om redding vragen.
Tot U roep ik dag en nacht,
want Gij antwoordt op mijn klacht.

4. Niemand onder godenmachten
is Heer, U gelijk te achten.
Niets kan bij Uw werk bestaan,
nergens treft men zoiets aan.
Alle volken, door Uw handen
voortgebracht in alle landen,
buigen straks voor U, o Heer,
geven aan Uw naam de eer.

5. Want Uw grootheid kent geen perken;
U doet grote wonderwerken:
machtig als U is er geen,
U bent God, ja U alleen.
Heer,wijs mij de weg ten leven,
opdat trouw mij aan mag kleven.
Voeg mijn hart geheel tezaam
tot het vrezen van Uw naam.

6. Heer, mijn God, U zal ik loven,
ik hef heel mijn hart naar boven,
k zal Uw Naam met diep ontzag
altijd eren, dag aan dag.
Want U bent mij zeer genadig,
groot van goedheid en weldadig:
mij toch hief U uit de nood,
uit de diepten van de dood.

7. Door veel overmoed gedreven
staat een bende mij naart leven,
die, o God, heerst met geweld,
U zich niet voor ogen stelt.
Maar U toont, o Heer, veelvuldig
dat U trouw bent en geduldig;
een genadig God, die mild
al mijn angst barmhartig stilt.

8. Wend U tot mij, wil mij sterken,
uitkomst voor Uw knecht bewerken;
wees genadig , Uw verbond:
daarop is mijn hoop gegrond.
Toon Uw hulp mij door een teken,
dat mijn vijanden verbleken,
als zij zien dat Gij het zijt
die mij troost Heer en bevrijdt.


Psalm 87
1. God heeft Zijn stad gesticht heel lang geleden,
gegrondvest op de bergen Hem gewijd;
de Heer heeft zich Zijn Sion toebereid,
Hij heeft het lief, meer dan al Jakobs steden.

2. Men zegt van u voortreffelijke dingen,
o stad van God, gij bron van hoogste vreugd.
Een heerlijk oord, dat heel mijn hart verheugt;
geen mens kan ooit naar waarde u bezingen.

3. Wie vijand was, zal zelfs Mij toebehoren:
Egypte ken Ik, ook komt Babel voor.
Van Filistijn en Tyrier en Moor
zeg Ik: Ook die zijn in Mijn stad geboren.

4. Van Sion hoort men zeer terecht verklaren:
Elk heeft daarin het levenslicht aanschouwd.
De Hoogste zelf, die alles heeft gebouwd,
houdt haar in stand: Hij zal die stad bewaren.

5. Want wie daarin hun leven ooit begonnen:
ze zijn geteld, de Heer schrijft allen op.
Dan stijgt hun zang bij reidans blij ten top:
O grote stad, in u zijn al mijn bronnen.


Psalm 88
1. God van mijn heil, Heer, hoor mijn klacht,
bij dag roep ik om mededogen,
bij nacht leg ik mij voor Uw ogen.
Hoor toch naar mij, die U verwacht.
Door rampen die mij overstromen
ben ik de dood nabij gekomen.

2. Men schrijft mij met de doden af,
bij hen verblijf ik al mijn dagen.
Ik werd als mensen die verslagen
en krachtloos liggen in het graf;
die U zelfs uit Uw denken bande
en die ontrukt zijn aan Uw handen.

3. Ja, U hebt zonder medelij
mij in de diepste kuil doen dalen.
U legt mij waar nooit licht kan stralen.
Uw grimmigheid rust zwaar op mij.
Hoe sterk moet ik Uw toorn ervaren.
U drukt mij neer door al Uw baren.

4. U liet mijn vrienden van mij gaan;
deed mij een gruwel voor hen blijken.
Ik ben omringd, kan niet ontwijken;
ellende tast mijn ogen aan;
met handen, dagelijks geheven,
smeek ik U, Heer, laat mij toch leven.

5. Hergeeft Gij doden levenstijd?
Doet Gij hen wonderbaar verrijzen?
Gaan overledenen U prijzen,
Uw trouw en Uw goedgunstigheid?
Wordt in het land van het vergeten
van Uw gerechtigheid geweten?

6. Maar mijn gebed tot U, o Heer,
mijn roep, komt tot U elke morgen.
Waarom houdt Gij U zo verborgen,
verstoot Gij, Heer, mij telkens weer?
Reeds van mijn jeugd aan is mijn leven
als aan de dood ten prooi gegeven.

7. Hoe zwaar drukt Uw verschrikking mij.
Hoe voel ik mij terneergeslagen.
Wanhopig ben ik alle dagen.
Uw toorn brengt mij de dood nabij.
Die dreigt als vuur mij te verslinden.
Bescherming kan ik nergens vinden.

8. Ik word door rampen overstelpt;
ja, zij vernietigen mijn leven.
Als water gaan zij mij omgeven,
Terwijl mij niets en niemand helpt.
Vriend en gezel hebt Gij verdreven;
zijn duisternis voor mij gebleven.


Psalm 89
1. Ik zal zolang ik leef bezingen in mijn lied
van s Heeren milde gunst, het werk aan ons geschied.
Mijn mond verkondigt blij aan komende geslachten
hoe Gij Uw trouw betoont aan hen die U verwachten.
Ik zei: Uw gunst staat vast die nimmer zal bezwijken
en in de hemel zal Uw trouw gegrondvest blijken.

2. Eens sloot Ik een verbond, bij ede vastgelegd,
met David die Mij dient, Mijn uitverkoren knecht:
Voor altijd staat uw troon, dit zal Mij nooit berouwen,
geslachten achtereen zal Ik die blijven bouwen,
zo zal de hemel, Heer, Uw wondre almacht prijzen
en ook de engelen Uw trouw aan u bewijzen.

3. Want wie is Hem gelijk, wie evenaart de Heer,
wie in de hemel reikt tot Hem in macht en eer?
God, zeer groot van ontzag, elk moet Zijn grootheid loven:
de scharen om Zijn troon, de engelen hierboven.
Grootmachtig bent U Heer, o God der hemelscharen,
rondom U is Uw trouw, die U wilt openbaren.

4. U temt de woeste zee, zij luistert naar Uw wil;
rijzen haar golven hoog, U wenkt en zij zwijgt stil.
U hebt Egyptes macht verbrijzeld door Uw plagen,
Uw vijanden verstrooid, met sterke arm verslagen.
U die de Schepper bent van hemel en van aarde,
de wereld met wat leeft en die U steeds bewaarde.

5. Eens werden noord en zuid geschapen door Uw hand,
hoor, Tabor prijst Uw naam, hoe juicht het Hermonland.
Zeer machtig is Uw arm, Uw rechterhand verheven,
een blijvend fundament hebt Gij Uw troon gegeven:
recht en gerechtigheid, tot steun aan alle kanten
en Uw genaad en trouw zijn steeds Uw afgezanten.

6. Welzalig is het volk dat U de lofzang zingt,
dat uitbreekt in gejuich als de bazuin weerklinkt.
Uw lichtend aangezicht zal Heer, hen steeds geleiden;
zij zullen in Uw naam zich dag aan dag verblijden.
Al juichend gaan zij voort en wandlen voor Uw ogen
en Uw gerechtigheid zal hen voorgoed verhogen.

7. Want Gij die toch de glans van al hun sterkte zijn,
schenkt luister aan Uw volk en hoge heerlijkheid.
U heft ons hoofd omhoog, doet ons de eerkroon dragen.
ontvangen door Uw gunst, t is enkel welbehagen:
ons schild is van de Heer, ja het beschermt ons leven,
de Heilge Israls heeft ons die vorst gegeven.

8. Weleer in een gezicht hebt Gij Uw plan ontvouwd,
aan wie Uw gunst geniet, Uw woorden toevertrouwd:
Met hulp heb Ik omkleed, met heil heb Ik omgeven
de koninklijke held uit heel het volk verheven,
David, Mijn trouwe knecht, die Ik heb uitverkoren,
die Ik met olie zalf, hem zal het rijk behoren.

9. Mijn hand is hem tot steun, Mijn rechterarm zijn kracht.
Geen vijand valt hem aan, Ik weer der bozen macht.
Want Ik zal voor zijn oog zijn tegenstanders vellen,
met Mijn genaad en trouw hem blijvend vergezellen.
Mijn naam die hij belijdt, doet hem tot aanzien komen,
zijn hand rust op de zee, zijn kracht beheerst de stromen.

10. Hij prijst Mijn hoge gunst met namen menigvoud:
Mijn Vader en mijn God, de Rots van mijn behoud.
Het eerstgeboorterecht zal Ik hem daarom geven;
door Mij wordt hij tot heer der koningen verheven
en Mijn goedgunstigheid zal Ik voor hem bewaren,
de kracht van Mijn verbond hem blijvend doen ervaren.

11. Ik heb zijn nageslacht het leven toegekend.
Zijn troon staat even vast als t glanzend firmament.
Indien zijn zonen ooit Mijn wil en wet verbreken,
dan zal Ik al hun kwaad met plaag en roede wreken,
maar Ik blijf in Mijn gunst tot Davids huis Mij wenden
Mijn trouw en Mijn verbond zijn sterk en niet te schenden.

12. Wat Ik gezworen heb aan David, dat houdt stand,
Mijn eigen heiligheid is daarvan onderpand.
Ik ben de waarheid zelf, zou Ik bedrieglijk zweren?
Zijn koninklijk geslacht leeft voort en zal regeren.
Zijn zetel wankelt niet tot aan het eind ter tijden,
zolang als zon en maan de hemelen doorschrijden.

13. En toch hebt Gij in toorn verstoten en versmaad
de koning die Uzelf gezalfd hebt naar Uw raad;
heeft het verbond met hem, Uw knecht niet langer waarde?
Zijn kroon hebt Gij ontwijd, geworpen op de aarde.
Doorbroken en gesloopt zijn al de sterke muren
van Davids koningsstad, die eeuwen zou verduren.

14. Hij werd beroofd door elk van die voorbij hem ging,
zijn buurvolk tot een smaad en tot vernedering.
U sterkt de rechterhand van wie zijn val begeren;
hun hebt Gij vreugd verschaft, wie tegen hem zich keren.
U hebt zijn scherpe zwaard doen wenden bij het strijden,
hem op het oorlogsveld de nederlaag doen lijden.

15. U ziet Uw gunstgenoot niet meer ontfermend aan;
U hebt zijn schone glans geheel teniet gedaan.
Zijn hoge troon hebt Gij ter aarde neergestoten,
tot grote schrik en smart van al Uw gunstgenoten.
U hebt zijn jeugd bekort, deed schaamte hem bedekken
geen uitzicht gaf U hem dat hoop zou kunnen wekken.

16. Hoe lang nog Heer, verbergt Gij U dan voor altijd,
hoe lang nog laait het vuur van Uw verbolgenheid?
Denk aan mijn levensduur, denk aan het nietig leven
dat Gij het mensenkind, Uw schepsel, hebt gegeven.
Wie redt zich van het graf? Heer, toon ons als tevoren
Uw goedheid en Uw trouw aan David eens gezworen.

17. O Heer, gedenk de smaad, Uw dienaars aangedaan,
hoe grote volken ons minachtend tegenstaan.
Uw haters zijn het Heer, die Uw gezalfde smaden;
waar Hij zijn schreden zet, Hij blijft met hoon beladen!
Laat Davids zoon de spot der heidenen beschamen.
Geprezen zij de Heer voor eeuwig. Amen, amen.


Psalm 90
1. O Heer, U hebt aan elk geslacht bewezen
toevlucht te zijn voor allen die U vrezen.
Van voor de tijd dat berg en meer ontstonden,
Uw scheppingswoord de aard en wereld grondden,
ja, lang voor hun ontstaan door Uw gebod,
in eeuwigheid zijt Gij en blijft Gij God.

2. Tot stof doet Gij de sterveling verteren,
U zegt de mens: Tot stof moet gij weerkeren.
Want duizend jaar: snel zijn ze in Uw ogen
zoals de dag van gisteren vervlogen;
zij gaan voor U als uren in de nacht
al slapend in een oogwenk doorgebracht.

3. Gij doet hen, door U weggespoeld verdwijnen
zoals de slaap wanneer de zon komt schijnen;
zoals het gras, dat s morgens vroeg gaat groeien,
snel opschiet, groen wordt en terstond gaat bloeien;
toch prijkt het in zijn volle pracht zeer kort,
want s avonds is het reeds verwelkt, verdort.

4. Want aan Uw toorn, Uw gramschap prijsgegeven,
doet G ons vergaan, vernietigt Gij ons leven.
Vr U stelt Gij onz ongerechtigheden
en in Uw licht zelfs zonden nooit beleden.
Hoe snel vergaat door Uw verbolgenheid
gelijk een zucht de korte levenstijd.

5. Slechts zeventig is t aantal onzer jaren,
of tachtig soms, indien wij zeer sterk waren;
wat ons daarin blijmoedig eens deed spreken
is vol van zorg, vol van verdriet gebleken.
Al t levensleed van jaren achtereen,
t gaat alles snel voorbij: wij vliegen heen.

6. Wie weet hoe groot Uw grimmigheid kan wezen?
Wie kent Uw toorn naardat elk U moet vrezen?
Leer ons beducht zo onze dagen tellen
- wanneer wij zien hoezeer de jaren snellen -
dat zich daarop een elk met ernst bezint
opdat ons hart de ware wijsheid vindt.

7. Heer, tot hoe lang? Doe Uw ontferming blijken
aan ons, Uw volk, die van Uw dienst niet wijken.
Laat s morgens ons Uw rijke gunst omringen
doe dag aan dag ons daarom juichend zingen.
Verheug ons naar de tijd van onze druk,
naar t jarental van al ons ongeluk.

8. Wil zo Uw werk aan al Uw knechten tonen,
Uw heerlijkheid tot troost aan al hun zonen.
Dat wij de Heer Zijn lieflijkheid ervaren,
van onze God Zijn gunst, al onze jaren:
maak vast het werk door ons ter hand gevat,
ja, zegen U ons werk, bevestig dat.


Psalm 91
1. Wie hulp van d Allerhoogste wacht
bij Hem schuilt, zal niet vrezen.
dAlmachtige zal in de nacht
hem steeds tot schaduw wezen.
U bent zeg ik mijn burcht, mijn God,
mijn toevlucht en betrouwen.
O Heer, in Uw hand is mijn lot;
vast kan ik op U bouwen.

2. Want Hij is het die u behoedt
voor strikken, u gespannen.
Hij zal de pest wanneer zij woedt
ver van uw lichaam bannen.
Zijn vleugels houdt Hij uitgespreid,
die zijn u tot bescherming.
Tot schild en pantser zijn altijd
Zijn trouw en Zijn ontferming.

3. Wees niet bevreesd als in de nacht
verschrikking op komt zetten:
de pest rondwaart, u onheil wacht,
zij zal u niet besmetten.
U hebt de pijl die vliegt bij dag,
hoe snel ook, niet te duchten.
Hoe het verderf ook woeden mag,
u hoeft het niet t ontvluchten.

4. Al vielen duizend aan uw kant,
ja, zelfs tienduizendtallen;
bezweken zaan uw rechterhand,
t zal u niet overvallen.
Wat straf de goddelozen treft
u zult het slechts aanschouwen.
Heer, U bent het die mij verheft,
mijn toevlucht en betrouwen.

5. Hij, d Allerhoogste, is uw schut,
uw schuilplaats in gevaren.
Hij zal u, daar Zijn trouw u stut,
voor onheil steeds bewaren.
Zijn engelen zij houden wacht:
Hij zal hen tot u zenden
om u te hoeden dag en nacht
waarheen gij u zult wenden.

6. Zij zullen u in alle nood
als op de handen dragen,
opdat gij aan geen steen u stoot,
zij ondersteunen, schragen.
Op leeuw en adder treedt uw voet;
u zult aan hen ontsnappen;
ook zult gij, daar Hij u behoedt,
n welp n draak vertrappen.

7. Daar hij Mijn naam kent, Mij bemint,
zal Ik zijn Redder wezen.
Roept hij Mij aan, hij ondervindt
dat hij niets heeft te vrezen.
Ik red hem uit, breng hem tot eer;
talrijk maak Ik zijn jaren.
In ruime mate telkens weer
zal hij Mijn Heil ervaren.


Psalm 92
1. t Is goed de Heer te loven
Zijn dag zij Hem gewijd.
O hoogste Majesteit,
mijn psalm stijgt op naar boven.
Uw gunst zij hoog geprezen
vroeg in de morgenstond,
bij nacht bezingt mijn mond
Uw trouw aan mij bewezen.

2. Zingt vrolijk bij de klanken
van citer, harp en luit.
Zingt blij uw jubel uit
wilt zo Zijn goedheid danken.
Want, Heer, door al Uw daden,
hebt Gij mij zeer verheugd.
Ik juich vervuld met vreugd:
Uw werken sla ik gade.

3. Heer, diep zijn Uw gedachten,
hoe groot is wat Gij doet.
Geen dwaas verstaat hoe goed,
hoe wijs U bent te achten.
Zie hen voorspoedig leven
als onkruid op het land;
verdelgen zal Uw hand
al wie Uw wil weerstreven.

4. Maar, Heer, hoe hoog verheven,
troont Gij in eeuwigheid.
Voor Uw gerechtigheid
moet elke vijand beven.
Want Heer, al wie U haten,
doet Gij te gronde gaan;
Uw gramschap zal hen slaan,
verstrooid hen achterlaten.

5. Hoe groot zijn Heer, Uw daden,
U schenkt mij heldenkracht,
geeft mij de overmacht
op wie Uw wetten smaden.
Met olie, vers gestoten,
zorgvuldig toebereid,
mag ik, vol dankbaarheid
geheel zijn overgoten.

6. Mijn oog zal hen aanschouwen
die loeren op geweld,
maar door U neergeveld
mijn hart nooit meer benauwen.
Op al wie mij belagen,
zie ik als winnaar neer.
Ik vrees hun haat niet meer;
ik hoor hen kermend klagen.

7. De vromen zullen bloeien
als palmen in de zon,
zoals op Libanon,
de cederbomen groeien.
Zij heffen zich naar boven,
gekoesterd door Gods hand,
in s Heeren huis geplant
tot sieraad in Zijn hoven.

8. Zelfs in hun grijze dagen
zijn ze nog jeugdig fris.
Ook zullen zij gewis
zelfs dan nog vruchten dragen.
Lang zullen zij getuigen:
Waarachtig is de Heer.
Hij is mijn Rots, mijn eer,
Hij zal het recht nooit buigen.


Psalm 93
1. Groot is de Heer, ja Koning voor altijd,
omgord met kracht, bekleed met majesteit.
De wereld is bevestigd door Zijn hand.
Uw troon staat vast, U houdt voor eeuwig stand.

2. Het woest geweld, o Heer, van stroom en vloed,
weerklinkt zo luid, dat alles beven moet;
maar boven zee en golven, hoe vol kracht,
troont onze Heer, geweldiger in macht.

3. Onwankelbaar is Uw getuigenis,
Uw heerlijk woord, dat zeer betrouwbaar is.
De heiligheid is voor Uw huis, o Heer,
de eeuwen door, tot sieraad en tot eer.


Psalm 94
1. Heer, wrekend God, breng licht in duister,
Gij, God der wraak, verschijn in luister.
Grijp in, U die de aarde richt,
straf wie uit trots niet voor U zwicht.
Hoe lang nog, Heer, duurt ongestoord
het juichen van de bozen voort?

2. Vijandig staan wie zonde plegen
met hoge woorden trots U tegen.
Hoogmoedig klinkt hun smalend woord
diep grievend, onverminderd voort.
Uw volk, o Heer, vertreden zij,
Uw erfdeel komt van druk niet vrij.

3. Zij doen naar al hun grote woorden,
zie hoe zij weduwen vermoorden;
zij doden wees en vreemdeling
en zeggen: Vreest geen rechtsgeding;
meent niet dat ooit de Heer het ziet,
de God van Jakob merkt het niet.

4. Wordt toch eens wijs! Wanneer, o dwazen,
staakt gij dit redeloze razen?
Denkt gij soms: Hem ontbreekt gehoor,
die zelf de Schepper is van t oor?
Meent gij soms: Hij mist het gezicht,
die t oog schiep voor Zijn stralend licht?

5. Zou Hij niet met vermaning komen
en volkeren dan in gaan tomen?
Zou Hij die mensen kennis leert
niet straffen wie zich niet bekeerd?
Al hun gedachten kent de Heer:
nietswaardig spinsel en niet meer.

6. Gelukkig Heer, mag men hem prijzen
die Gij kastijdt, terecht wilt wijzen
door onderwijzing uit Uw wet,
opdat geen ramp zijn rust belet;
terwijl wie goddeloosheid doet
straks in het graf verzinken moet.

7. Nooit zal de Heer Zijn volk begeven,
Zijn erfdeel ver van Hem doen leven.
Want Hij die zelf de rechters leidt,
maakt rechtspraak weer gerechtigheid.
Elk die oprecht zijn weg wil gaan
sluit zich van harte daarbij aan.

8. Wie stelt zich op, treedt voor mij tegen
wie ongerechtigheden plegen?
Had mij de Heer niet bijgestaan
ik was in al mijn druk vergaan;
dan was mijn leven zeer verkort,
ik was haast in het graf gestort.

9. Wanneer ik dacht: Mijn voeten wijken,
ik wankel en ik zal bezwijken,
o Heer, dan steunde mij altijd
Uw trouw en Uw goedgunstigheid.
In al mijn zorgen, groot en veel,
verkwikte mij Uw troost geheel.

10. Laat Gij U in met hen die samen
hoog zetelend, verderf beramen?
Met hen die recht doen naar de schijn,
maar pure onheilstichters zijn?
Zij jagen op onschuldig bloed
van wie rechtvaardig zijn en goed.

11. De Heer, mijn God wou in mijn vrezen
mijn rots, mijn toevlucht voor mij wezen;
Hij was mijn burcht, die schuilplaats gaf,
op al hun misdaad volgde straf.
Hij liet hen in hun kwaad vergaan,
want onze God heeft hen verdaan.


Psalm 95
1. Komt, laat ons juichen voor de Heer,
een lofzang zingen, Hem tot eer,
met snarenspel Hem blij begroeten.
Wij prijzen Hem die redding biedt,
de rots van heil, in psalm en lied.
Wij willen juichend Hem ontmoeten.

2. De Heer is groot, een God vol kracht,
een Vorst in majesteit en macht
ver boven elke god verheven.
De diepste plaats is in Zijn hand,
van Hem zijn bergen, zee en land,
Hij heeft ze hun bestaan gegeven.

3. Komt, knielen wij voor Hem, die leeft,
de Heer, die ons geschapen heeft,
want onze God, Hij wil ons weiden.
Och, luistert heden naar Zijn stem!
Wij als Zijn schapen volgen Hem,
Zijn hand alleen kan veilig leiden.

4. Mijn volk, verhardt toch uw hart niet
als eens te Massa is geschied,
bij Meriba in vroeger dagen.
Toen, niet vertrouwend op Mijn macht,
beproefde Mij uw voorgeslacht
hoewel zij daar Mijn werken zagen.

5. Ja, veertig jaar heeft dit geslacht
Mij niets dan ergernis gebracht.
Toen heb Ik in Mijn toorn gezworen:
Omdat dit volk Mijn weg niet kent,
maar dwalend zich heeft afgewend,
zal nooit Mijn rust hen toebehoren!


Psalm 96
1. Zingt een nieuw lied tot lof des Heeren.
Heel d aarde moet die lofzang leren.
Prijst s Heeren naam met diep ontzag;
boodschapt Zijn heil van dag tot dag,
opdat elk volk die naam zal eren.

2. Leert ieder volk Zijn glorie prijzen;
aan Hem alom hun eer bewijzen
die wondren heeft tot stand gebracht.
Groot is de Heer, geducht in kracht.
Laat dan voor Hem uw lofzang rijzen.

3. Afgoden zijn der volken goden,
maar Hij, de Heer, kent onze noden,
want Hij schiep heel de hemel wijd.
En waar Hij troont in majesteit,
daar wordt Hem lof en eer geboden.

4. Geeft aan de Heer, al gij geslachten,
geeft eer, erkent Zijn grote krachten,
geeft Hem de glorie van Zijn naam.
Komt in Zjjn huis met offers saam.
Hij is de Heer, zo hoog te achten.

5. Buigt voor de Heer in feestgewaden;
beef, ganse aarde, vrees Zijn daden:
de Heer is Koning in elk land;
vast staat de wereld door Zijn hand,
niets zal haar grondslag kunnen schaden.

6. Naar recht zal Hij de volken leiden,
laat aard' en hemel zich verblijden.
Dat davere het lied der zee,
feest viere dan het veld met vee
en laat het bos Zijn eer verbreiden.

7. Want Hij, de Heer komt daarde richten,
voorgoed doet Hij het onrecht zwichten.
Hij toont ons dan Zijn majesteit,
de wereld leert gerechtigheid.
Zijn trouw zal ieder volk verlichten.


Psalm 97
1. Juicht: Koning is de Heer.
Geeft Hem, gij aarde, eer.
Verblijd u, alle landen,
tot aan de verste stranden.
Hij hult Zijn majesteit
in wolk en donkerheid.
Zijn troon staat vast en hecht,
gegrond op heilig recht
en op gerechtigheid.

2. Een vuur dat niemand stuit
gaat zengend voor Hem uit.
Zijn vlammen doen verteren
wie tegen Hem zich keren.
De wereld, fel verlicht,
beeft voor Zijn bliksemschicht.
Heel d aarde staat ontsteld
als berg na berg versmelt
voor s Heeren aangezicht.

3. Want, sidd rend voor Zijn stem,
zijn zij als was voor Hem;
die Zijn kracht openbaarde
als Heer der ganse aarde.
Ja, heel de hemel meldt
dat Hij recht vonnis velt;
Hij, die met wijs beleid,
Zijn grote heerlijkheid
elk volk voor ogen stelt.

4. Wie vreemde goden prijst,
wie beelden eer bewijst,
zal Hem beschaamd ontmoeten;
knielt, goden, aan Zijn voeten.
Om Uw gericht, o Heer,
verheugt zich Sion zeer,
zijn Judas dochters blij:
op goden, Heer, ziet Gij
als Allerhoogste neer.

5. U, die de Heer bemint,
haat boosheid eensgezind;
als goddelozen woeden,
zal Hij Zijn volk behoeden.
U die rechtvaardig zijt
is vreugd en licht bereid.
Oprechten, zingt de Heer,
Zijn heilge naam tot eer,
uw loflied, Hem gewijd.


Psalm 98
1. Zingt een nieuw lied tot lof des Heeren,
want wonderen heeft Hij gedaan.
Zijn rechterhand ging triomferen,
Zijn arm bracht Hem de zege aan.
Zo deed de Heer Zijn heil ervaren;
zo kwam Hij Zijn gerechtigheid
voor t oog der volken openbaren.
Zingt nu daarvan, in Hem verblijd.

2. Hij heeft gedacht aan Zijn genade,
Zijn trouw aan Israls geslacht.
Zelfs verre landen sloegen gade,
hoe onze God Zijn heil ons bracht.
Laat dan de Heer uw loflied horen.
Breek, aarde, in gejubel uit.
Psalmzingt de Heer en juicht in koren.
Ontlokt de citer blij geluid.

3. Blaast op bazuinen en trompetten,
laat die luid schallen, Hem tot eer.
Prijst Hem door psalmen in te zetten
voor onze Koning, voor de Heer.
Laat ook de zee Hem bruisend prijzen
met al wat daar krioelt en leeft;
Hem heel de wereld eer bewijzen,
met de bewoners die ze heeft.

4. Klapt in de handen, blijde stromen,
bij lof en dank, tot Hem gericht.
Laat jubelend de bergen komen
voor s Heeren heilig aangezicht.
Want nu komt Hij de aarde richten;
de wereld in gerechtigheid.
Hij doet voorgoed het onrecht zwichten,
richt volken in rechtmatigheid.


Psalm 99
1. Koning is de Heer.
Volken vreest Hem zeer.
Aarde, beef, daar Hij
spreekt met heerschappij.
Die op Sion woont
boven cherubs troont,
Hij is hoog verheven
boven t volkrenleven.

2. Volken looft tezaam
s Heeren grote naam.
Heilig, vol van kracht
heerst Hij, groot in macht.
Deze Koning mint
t recht in Zijn bewind:
t richtsnoer voor het leven
Jakob voorgeschreven.

3. In gerechtigheid
hebt G Uw volk geleid.
Werpt u voor de Heer
bij Zijn voetbank neer.
Brengt dan in Zijn hof
onze God uw lof.
Want daar is het veilig,
Hij de Heer is heilig.

4. Mozes riep Zij naam
met Aron aan.
Priesters van de Heer
waren zij weleer.
Zo ook hief tot Hem
Samul zijn stem;
zij die op hun woorden
s Heeren spreken hoorden.

5. Uit Zijn heiligdom
in de wolkkolom
heeft Hij recht en wet
bij hen ingezet.
Zijn getuigenis
waarin leven is,
t woord door Hem gegeven,
zijn zij trouw gebleven.

6. U Heer, onze God,
gaf hun Uw gebod.
U hebt hen verhoord
naar Uw heilig woord.
U vergaf hun schuld
in Uw groot geduld,
maar zij ondervonden:
U bestraft de zonden.

7. Geeft dan aan de Heer
onze God uw eer.
Brengt, gebukt in t stof
voor Zijn berg Hem lof.
Eert Zijn majesteit,
vreest Zijn heerlijkheid.
Want de Heer is heilig,
onze God zeer heilig.


Psalm 100
1. Juicht, ganse aarde, voor de Heer.
Dient Hem met blijdschap, geeft Hem eer:
hier staat Zijn woning opgericht,
komt, jubelt voor Zijn aangezicht.

2. Erkent: de Heer is God, want Hij
heeft ons gemaakt, van Hem zijn wij;
Zijn volk, Zijn schapen die Hij hoedt
en als Zijn kudde weidt en voedt.

3. Treedt in Zijn poorten met uw lof,
met lofzang in Zijn tempelhof;
komt in Zijn huis vol dank tezaam,
verheerlijkt Hem en prijst Zijn naam.

4. Want Hij, de Heer is eeuwig goed,
schenkt Zijn genaad in overvloed:
het nageslacht dat Hij bemint
ervaart Zijn trouw van kind tot kind.


Psalm 101
1. Ik zal, Heer, in mijn psalm Uw zegeningen
van gunst en van gerechtigheid bezingen.
Ik tracht Uw weg te gaan, van zonden vrij.
Wanneer komt Gij?

2. Oprecht van hart zal ik mijn huis besturen;
zal voor mijn oog niets schandelijks verduren.
Afvalligen ik weer ze, want ik haat
hun woord en daad.

3. Laat van mij elk wiens hart verkeerd is, wijken;
niet kennen zal ik wie verdorven blijken.
k Verdelg wie in t geheim zijn naaste schaadt
door lasterpraat.

4. Ook zal ik nooit hen voor mijn troon gedogen,
die trots van hart zijn, hoog in eigen ogen.
Wie lastert en laag op zijn naaste ziet,
die duld ik niet.

5. Op hen die in het land zich trouw betonen
richt ik het oog, hen doe ik bij mij wonen.
Ik neem alleen wie rechte wegen gaan
als dienaars aan.

6. Ik stel mijn huis voor geen bedrieger open.
Geen leugenaar mag op mijn vrijspraak hopen;
want niemand die zich tegen waarheid kant
houdt voor mij stand.

7. k Zal dag aan dag met mijn gericht hen treffen,
die in het land zich goddeloos verheffen.
Uit s Heeren stad verdelg ik wie onrein
vol zonde zijn.


Psalm 102
1. Neig tot mij, o Heer, Uw oren,
wil mijn angstig roepen horen;
wend van mij Uw oog toch niet
als U mijn benauwdheid ziet.
Wil mij spoedig antwoord geven;
al de dagen van mijn leven
zie ik als in rook vervlogen,
wachtend op Uw mededogen.

2. Koorts brandt in mij, sloopt mijn krachten,
dorheid doet mijn hart versmachten
zoals gras dat snel verdort
als het zonlicht feller wordt.
Luid laat ik mijn klachten horen,
nu geen brood mij kan bekoren;
ik teer weg van al mijn zuchten
en kom klagend tot U vluchten.

3. Zoals vogels in woestijnen
die wanhopig moeten kwijnen,
of, zoals een pelikaan,
ver van alle hulp vandaan;
als een uil in puin verborgen,
wacht ik angstig op de morgen
en moet ik hier eenzaam waken
als een vogel op de daken.

4. Steeds hoor ik de vijand smaden
en mijn naam met vloek beladen;
in mijn brood zit as gemengd,
tranen in mijn drank geplengd.
Toorn is op mij uitgegoten,
hard hebt Gij mij neergestoten.
Reeds zie ik mijn schaduw lengen,
ik ga als het gras verzengen.

5. Maar U, Heer, zult eeuwig tronen
en opnieuw Uw macht betonen,
ja, Uw Naam behoudt haar kracht
tot in t allerverst geslacht.
U zult opstaan, ons beschermen,
over Sion U ontfermen:
t is nu tijd voor grote daden,
nu het uur van Uw genade.

6. Want Uw knechten, diep verslagen,
zijn vol liefde, vol behagen,
hun ligt Sion na aan t hart,
en haar puin zien zij met smart.
Volken, alle vorsten eren
samen dan de naam des Heeren:
wanneer Sion is herrezen,
zal daar s Heeren glorie wezen.

7. Dan richt Hij zich tot berooiden
en ziet om naar de verstrooiden,
Hij schenkt aandacht aan hun klacht,
heeft hun bidden niet veracht.
Dit moet worden opgeschreven
voor ons kroost om naar te leven;
dan zal t volk na ons geboren,
dankbaar s Heeren lof doen horen.

8. Door hun noodgeschrei bewogen,
zag Hij neer vanuit den hoge;
keek barmhartig op hen neer
en ontfermde zich de Heer.
Hij toch hoorde naar hun zuchten
toen geboeiden tot Hem vluchtten
en Hij kwam uit angst en lijden,
kinderen des doods bevrijden.

9. Opdat men de naam des Heeren
in Zijn Sion zou vereren
en zou geven lof aan Hem
in Zijn schoon Jeruzalem;
wanneer volken samenstromen,
koninkrijken zullen komen,
om Zijn grootheid te vertellen,
zich in s Heeren dienst te stellen.

10. Hoe heeft Hij mijn kracht gebroken,
ja, hoe was Zijn toorn ontstoken.
Hoor, mijn God, wanneer ik zeg:
Neem mij niet vroegtijdig weg;
laat niet midden in mijn leven
mij de duisternis omgeven,
kort toch niet mijn schaarse uren,
Gij, wiens jaren altijd duren.

11. Hemel, aarde, zee en landen,
zijn gegrondvest door Uw handen.
Eenmaal zullen zij vergaan
maar Uzelf, U blijft bestaan.
Door de tijd zal t al verweren,
als een kleed zal het verteren.
Wat nu is, doet Gij verdwijnen
en in nieuw gewaad verschijnen.

12. Maar U blijft door alle tijden
als dezelfde ons geleiden;
want, wat ook vergaat, verdwijnt,
aan Uw jaren komt geen eind.
Daarom zullen alle zonen
van Uw knechten veilig wonen;
zo blijft t nageslacht U eren,
voor Uw aangezicht verkeren.


Psalm 103
1. Ik zal de Heer nu loven met mijn zangen.
Zijn heilge naam moet door mij eer ontvangen;
ik prijs die naam met al wat in mij leeft.
Weldaden heeft de Heer mij willen schenken,
ik zal die nooit vergeten, Hem gedenken,
die al mijn schuld en zonden mij vergeeft.

2.Ik loof Hem die mijn ziekten wil genezen,
die mij verlost als ik de dood moet vrezen,
met goedheid en barmhartigheid mij kroont;
die met Zijn gunst mij rijkelijk verzadigt;
mijn jeugd vernieuwt, mij sterkt en begenadigt
zoals weer jong een arend zich vertoont.

3. De Heer doet recht aan wie verdrukking lijden.
Voor Isral wou Hij Zijn heil bereiden
toen Hij Zijn weg aan Mozes had geleerd.
Barmhartig is de Heer en ook genadig,
geduldig, goed en jegens elk weldadig,
die niet steeds twist, Zijn toorn is afgekeerd.

4. Hij doet ons niet naar zonden die wij deden,
vergeldt ons niet naar al ons overtreden,
ja, hemelhoog is Zijn barmhartigheid.
Hij doet, zo ver het westen is van t oosten
de zonden weg omdat Hij ons wil troosten,
wij zijn door Hem van alle schuld bevrijd.

5. Een vader zal zijn kinderen beschermen,
zo zal de Heer zich over ons ontfermen:
Hij schenkt Zijn gunst aan ieder die Hem vreest.
Hij weet wat van zijn maaksel is te wachten,
gedenkt, hoe klein wij zijn, hoe zwak van krachten,
ja, dat wij stof van jongsaf zijn geweest.

6. De broze mens als gras zijn al zijn dagen,
zoals een bloem kortstondig kan behagen
wel sierlijk bloeit, maar kwetsbaar is en teer;
wanneer de wind zich over t land laat horen,
dan knakt haar steel, haar schoonheid is verloren,
de plaats waar zij eens stond, kent haar niet meer.

7. Maar eeuwig blijft de Heer genade schenken
wie met ontzag steeds aan Zjjn dienst wil denken:
hun nakroost toont Hij Zijn gerechtigheid,
als zij hun weg afwenden van de zonden
en Zijn verbond door hen niet wordt geschonden,
maar aan Zijn wil hun leven wordt gewijd.

8. Voor altijd heeft de Heer als hoogste Koning
Zijn troon gesticht, de hemel is zijn woning.
Het groot heelal, t is al gebied van Hem.
Looft nu de Heer, gij al Zijn hemelmachten,
gij englen die Hem dient met heldenkrachten,
Zijn woord volbrengt, gehoorzaam aan Zijn stem.

9. Looft nu de Heer, gij al Zijn hemelscharen,
Zijn dienaren die Zijn bevel bewaren.
Gij englen die Zijn wil doet, geeft Hem eer.
Prijst dan de Heer, laat al Zijn werk Hem loven,
waar Hij regeert, op aarde en hierboven.
Ja, ook ikzelf, moet loven nu de Heer.


Psalm 104
1. De Heer loof ik: U bent zeer groot, o Heer.
Mijn God, U bent bekleed met pracht en eer.
Het licht heeft Hij als mantel omgeslagen,
de wolken maakt Hij tot Zijn zegewagen;
de hemel spant Hij uit zoals een tent,
Zijn zalen bouwt Hij op het firmament.
Op vleugels van de wind schrijdt Hij verheven,
storm zendt Hij uit, door vuur wordt Hij omgeven.

2. Gegrondvest werd de aarde door Zijn hand,
zij wankelt nooit, want Hij houdt haar in stand.
U dekte haar als met een kleed van golven,
de hoogste berg werd zelfs geheel bedolven.
Uw donder joeg het water op de vlucht,
het dal viel droog, de rots rees in de lucht.
U hebt bepaald tot waar de stromen komen,
Uw vloed zal nooit meer d aarde overstromen.

3. De beek voedt Hij met water uit de bron,
die door het dal zijn vlugge loop begon;
het drenkt er al de dieren, moe van t draven
en schuw komt zich de wilde ezel laven.
Daar hebben ook de vogels hun gebied:
vanuit het loof klinkt jubelend hun lied.
De bergen drenkt Hij uit Zijn opperzalen,
door U gelaafd mag d aarde ademhalen.

4. Het gras doet Hij ontspruiten voor het vee,
deelt aan de mens Zijn goede gaven mee:
het veldgewas, dat deze moet bewerken
tot voedzaam brood om hem daarmee te sterken.
Hij geeft de mens de fonkelende wijn,
die hem verkwikt, het hart verheugd doet zijn;
doet het gelaat van olie glanzend lichten,
vernieuwt zijn kracht om arbeid te verrichten.

5. Hoe groot, hoe schoon, gelaafd door s Heeren hand,
staan ceders op de Libanon geplant;
de vogels doet Hij nestlen in hun kronen,
die doet Hij daar, veilig geborgen, wonen;
op de cypres huist menig ooievaar,
zij maken steeds daarop hun nesten klaar;
de steenbok blijft hoog op de bergen dolen,
de klipdas schuilt in diepe rotsenholen.

6. Hij stelde vast de tijden van de maan,
ook kent de zon haar tijd van ondergaan.
Het duister komt, U doet de nacht dan dalen,
stil gaan door t woud de wilde dieren dwalen;
dan brult tot God de jonge leeuw om buit,
strekt in zijn hol bij zonsopgang zich uit.
Dan komt de mens, omdat de dag gaat lichten:
tot s avonds toe zal hij zijn werk verrichten.

7. Hoe talrijk zijn de werken van Uw hand,
Uw wijsheid, Heer, bracht alles eens tot stand;
de aard is vol van al Uw grote werken:
daar is de zee, hoe ruim stelt U haar perken,
hoe wemelt zij van dieren zonder tal;
zij wordt doorkruist door schepen overal,
daar kan Uw oog de Leviathan vinden,
wiens grote kracht U spelende kunt binden.

8. Op U wacht al wat in de wereld leeft,
die mens en dier op tijd hun voedsel geeft;
met open hand schenkt Gij Uw goede gaven,
zij vinden wat hen voeden kan en laven.
Verbergt Gij Uw gelaat, hun dreigt de dood,
stof worden zij weer in der aarde schoot:
zendt Gij Uw Geest, nieuw leven wordt geboren,
de schepping toont zich schoner dan tevoren.

9. Voor eeuwig zij des Heeren heerlijkheid;
dat zich de Heer om al Zijn werk verblijd.
Hoe groot is Hij, die alles kan formeren,
met macht blijft Hij al wat Hij schiep regeren.
Wanneer Zijn oog zich naar de aarde richt,
dan beeft en schokt zij voor Zijn aangezicht;
raakt Hij ze aan, dan gaan de bergen roken,
alsof daarop een vuur wordt aangestoken.

10. De Heer zal ik vereren in mijn zang,
mijn God prijs ik met psalmen levenslang;
ik wil aan Hem al mijn gedachten wijden
en zal altijd mij in de Heer verblijden.
De aarde wordt van alle zondaars rein,
wie goddeloos is zal er niet meer zijn.
Daarom loof ik de majesteit des Heeren,
Hij is het waard Hem voor altijd te eren.


Psalm 105
1. Looft nu de Heer met psalmgezangen,
Zijn naam moet biddend eer ontvangen.
Meldt ieder volk en elk geslacht
Zijn wonderen, tot stand gebracht.
U die de Heer zoekt, roemt tezaam
met een blij hart Zijn heilge naam.

2. Vraagt naar de Heer, vraagt naar Zijn sterkte.
Gedenkt Zijn wondren die Hij werkte,
Zijn tekenen, Zijn streng gericht.
Zoekt dag aan dag Zijn aangezicht,
gij kroost van Zijn knecht Abraham;
gij volk, dat sproot uit Jakobs stam.

3. De Heer, die onze God wil wezen,
- heel d aarde moet Zijn oordeel vrezen -
blijft altijd trouw aan Zijn verbond,
voor eeuwig heeft Hij dat gegrond.
Zelfs in het duizendste geslacht
heeft nog Zijn woord dezelfde kracht.

4. Aan Abraham deed Hij het horen,
aan Izak is het bezworen,
ook Jakob tot een wet gesteld
tot een verbond dat eeuwig geldt:
Als erfdeel voor uw nageslacht
is Kanan u toegedacht.

5. Dit volk was klein, zwak van vermogen,
zij zijn van volk tot volk getogen.
Ze reisden daar als vreemdeling,
hun aantal was maar zeer gering.
Zij trokken op t beloftewoord
door vreemde koninkrijken voort.

6. Zijn volk liet Hij zich niet ontrukken,
stond niemand toe hen te verdrukken.
Om hunnentwil sprak Hij verstoord
tot koningen dit dreigend woord:
Tast nimmer Mijn gezalfden aan,
laat Mijn profeten veilig gaan.

7. Een honger zond Hij in die landen:
de staf des broods brak in hun handen;
Hij zond toen Jozef voor hen uit,
als slaaf verkocht, naar Gods besluit.
Hij werd in ijzers wreed gekweld,
zijn voeten in het blok gekneld.

8. Tot uitkwam wat Jozef verklaarde
en s Heeren woord dat openbaarde.
Toen liet de koning hem weer vrij;
heer over huis en goed werd hij;
opdat hij vorsten bond met macht,
zijn oudsten tot recht inzicht bracht.

9. Toen Isral in Gosen woonde
en Cham de vreemdling Jakob hoonde,
groeide Zijn volk, trots dienstbaarheid;
Hij heeft het daar zeer uitgebreid.
Hun sterke vijand nam vol haat
tegen Zijn knechten list te baat.

10. Door Mozes liet Hij van zich horen.
Aron was door Hem verkoren.
Tekenen deed Hij door hun hand,
Zijn wonderen in heel Chams land.
Hij maakte van de dag een nacht;
zij sloegen op Zijn woord geen acht.

11. Hij maakte bloed van al hun stromen,
dat alle vissen om deed komen.
Deed kikkers komen zonder tal
in veld en stad, paleis en stal.
Hij sprak, deed steekvlieg en muskiet
uitzwermen op hun grondgebied.

12. Hagel zond Hij in plaats van regen;
met hemelvuur kwam Hij hen tegen;
dat vuur joeg door het hele land,
al het geboomte stond in brand.
Sloeg vijgeboom en wijnstok neer,
geen schone wijngaard was er meer.

13. Hij sprak en zie: sprinkhanen kwamen
in niet te stuiten zwermen samen;
zij vraten t groen af van hun land,
en alle vrucht van boom en plant;
geen akkerland ontzagen zij.
t Werd alles tot een woestenij.

14. Hij sloeg, daar zij Zijn woord verachten,
de eerstelingen van hun krachten,
voerde Zijn volk met rijke buit
aan goud en zilver veilig uit.
Met vaste gang vertrokken zij;
toen was het bang Egypte blij.

15. Hij deed een wolk hen overdekken;
bij nacht een vuur tot licht hen strekken.
Kwartels zond Hij hun in de nood;
in overvloed viel hemels brood.
Hij spleet de rots, in dorre streek
klaterde nu een frisse beek.

16. Hij bleef Zijn bondsvolk zegen schenken;
aan Abraham, Zijn knecht gedenken;
want Hij gedacht Zijn heilig woord,
trok als een Gids zelf met hen voort.
Zijn uitverkoornen, zeer verblijd,
zij jubelden, vol vrolijkheid.

17. Hij heeft om altijd daar te leven,
der volken landen hun gegeven;
zodat zij uit Zijn eigen hand,
al d arbeid erfden van dat land:
zij moesten naar Zijn wetten gaan,
heffen hun halleluja aan.


Psalm 106
1. Looft nu de Heer, want Hij is goed,
Zijn gunst toont Hij in overvloed,
in eeuwigheid duurt Zijn genade.
Wie vindt voor s Heeren werk het woord
waarin de grootheid van Zijn daden,
Zijn lof ten volle wordt gehoord?

2. Welzalig wie zich t allen tijd
aan recht houdt en gerechtigheid.
Gedenk mij Heer, naar t welbehagen
dat Gij Uw volk steeds hebt betoond.
Dit wil ik U ootmoedig vragen,
dat Gij mij met Uw heil bekroont.

3. Opdat ik zo het goed aanschouw
dat Gij, aan Uw belofte trouw,
Uw uitverkoren volk wil geven;
zodat ik mij met hen verblijd;
deel in de vreugd die U in t leven
voor heel Uw erfdeel hebt bereid.

4. Als onze voorouders weleer,
zo hebben wij ons menig keer
misgaan, ons goddeloos gedragen.
Zij hebben in Egypteland
niet op de wondren acht geslagen
door U verricht met sterke hand.

5. Zij hebben niet aan t werk gedacht
door U voor hen tot stand gebracht,
aan gunsten, hun zo vaak bewezen.
Zij, naar de Schelfzee heengeleid,
geraakten daar in angst en vrezen
en morden vol weerspannigheid.

6. Maar Hij heeft toch weer hen bevrijd,
Hij toonde hen Zijn majesteit,
Zijn naam en eer ging Hij verhogen;
Zijn dreigen dreef de zee uiteen.
Toen gingen zij zo op het droge
als door een woeste steppe heen.

7. Geen vijand die nog tegenstond
bleef over, daar Hij redding zond
en allen in de zee versmoorden.
Om t grote wonder toen gedaan,
geloofden zij thans al Zijn woorden.
Hem hieven zij hun lofzang aan.

8. Doch zij, niet wachtend op Zijn raad,
vergaten Zijn bevrijdingsdaad,
verzochten God in boos begeren.
Hij deed in dor land naar hun lust,
maar liet henzelf geheel wegteren;
zo werd hun lust door Hem geblust.

9. Zij eerden Mozes niet naar recht,
Aron niet als s Heeren knecht.
Toen werd Hij zeer op hen verbolgen.
De aarde spleet, het vuur verslond.
Dathan, Abiram zijn verzwolgen,
zij allen stortten in de grond.

10. Bij Horeb werd hun Eer verzaakt,
daar werd een kalf door hen gemaakt,
voor gietwerk lagen zij gebogen.
Het beeld van t rund dat graast in t gras
stond nu veel hoger in hun ogen
dan God die hun Verlosser was.

11. Zeer grote daden, die Zijn hand
verricht had in Egypteland ,
die hebben zij geheel vergeten.
Van wondren in Chams land gedaan
en dat de Schelfzee werd gespleten,
bleef niets hun meer voor ogen staan.

12. En toen zei Hij: Ik roei hen uit.
Doch Mozes heeft Zijn toorn gestuit
door voor hen in de bres te springen.
Om hem, Zijn uitverkoren knecht,
- opdat zij niet te gronde gingen-
heeft zich Zijn felle toorn gelegd.

13. Zij hebben t heerlijk land veracht
uit vrees voor sterke overmacht;
zij hoorden niet naar t woord des Heeren.
Zij morden mokkend in hun tent
en durfden zich opstandig weren;
hun hart was van Hem afgewend.

14. Toen hief Hij Zijn geduchte hand
en zwoer, in grote toorn ontbrand,
dat Hij hen allen zou verderven;
ze vellen in de zandwoestijn;
bij vreemd volk zou hun nakroost sterven,
in verre landen balling zijn.

15. Toen t volk van dodenoffers at,
van Bal-Peor gunsten bad,
zond Hij een plaag, getergd zich wrekend.
Maar Pinehas deed recht, met kracht.
Toen week de plaag: t werd hem gerekend
gerechtigheid in zijn geslacht.

16. Zijn toorn bij Meriba ontstak,
waar water uit de steenrots brak
toen Mozes daarop had geslagen.
Weerspannig waren zij Zijn Geest.
Door hen kreeg hij zwaar leed te dragen;
zijn woord was ondoordacht geweest.

17. Zij hebben s Heeren woord veracht,
de heidenen niet omgebracht
en niet geschuwd hun boze paden.
Zij gingen met die volken om
en leerden zo hun slechte daden.
Tot valstrik werd hun t godendom.

18. Zij hebben zelfs hun kroost verbrand
voor boze geesten in dat land;
onschuldig bloed werd toen vergoten.
En zo werd Kanan ontwijd,
de ontucht kwam hun schuld vergroten
bij zoveel ongerechtigheid.

19. Toen gaf de Heer in toorn ontbrand,
Zijn erfdeel prijs aan vreemde hand,
die t overheerste en verdrukte.
Zwaar kwam die hand op allen neer,
zodat zij diep daaronder bukten;
maar redding gaf Hij telkens weer.

20. Toch zonken zij, met Hem in strijd,
weg in hun ongerechtigheid.
Hij zag hun angst, vernam hun kermen.
Omdat hij vol genade is,
bleef Hij met deernis hen beschermen,
om Zijn verbond, dat eeuwig is.

21. Dan wekte Hij barmhartigheid
bij wie hen hadden weggeleid,
in boeien sloegen en verbanden.
Heer, onze God, red ons, om saam,
bijeengebracht uit alle landen,
te roemen in Uw heilge naam.

22. Lof zij de Heer, nu en altijd,
van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Laat ons Hem prijzen, allen samen.
Een ieder ere Zijn bevel
en heel het volk zegg : Amen, Amen.
Looft nu de God van Isral!


Psalm 107
1. Komt, wilt de Heer steeds prijzen,
looft Zijn goedgunstigheid.
Hij blijft ons trouw bewijzen
nu en in eeuwigheid.
Laat, daar Hij vrijheid geeft,
zo s Heeren volk toch spreken,
dat Hij verzameld heeft
uit alle hemelstreken.

2. Zij die in wildernissen
verloren t rechte pad,
moesten bescherming missen
van een bewoonde stad.
Hen heeft het leed doorknaagd,
daar hongersnood hen wachtte.
Door dorst zijn zij geplaagd:
bezweken zijn hun krachten.

3. Zij riepen in hun lijden
en angst de Heer toen aan.
Hij deed als Zijn bevrijden,
van vrees verlost, hen gaan.
Hij gaf een effen pad
om hun Zijn gunst te tonen.
Hij bracht hen naar een stad
waarin zij konden wonen.

4. Laat hen Heer dan prijzen
Zijn wonderen, Zijn macht.
Om al Zijn gunstbewijzen
aan t menselijk geslacht.
Want Hij wil in t gemis
barmhartigheid bewijzen:
wie dorst, vindt lafenis,
wie hongert, goede spijzen.

5. Die in het donker zaten,
ellendig en geboeid,
waren, van elk verlaten,
ten dode toe vermoeid.
Zij struikelden maar voort
en hulp was niet te wachten,
daar zij Gods manend woord,
des Hoogsten raad verachtten.

6. Zij riepen in hun lijden
en angst de Heer toen aan.
Hij deed als Zijn bevrijden,
van vrees verlost, hen gaan.
Hij hielp hen uit de nacht
en uit het diepe duister;
ook deed Hij door Zijn kracht
verbreken band en kluister.

7. Laat hen de Heer dan prijzen,
Zijn wonderen, Zijn macht;
om al Zijn gunstbewijzen
aan t menselijk geslacht.
Al was het koper sterk,
de deuren zijn gespleten,
het zware grendelwerk
heeft Hij vaneen gereten.

8. Zij die verdwaald door zonden
van hun afvallig hart
ellende ondervonden,
verteerden in hun smart.
Zij walgden zelfs van brood,
de smaak was hen ontnomen.
De poorten van de dood
waren nabij gekomen.

9. Zij riepen in hun lijden
en angst de Heer toen aan.
Hij deed als Zijn bevrijden
van vrees verlost, hen gaan.
Hij zond Zijn helend woord,
Hij heeft hun kracht gegeven,
genezing, ongestoord,
hen aan het graf ontheven.

10. Laat hen de Heer dan prijzen,
Zijn wonderen, Zijn macht;
om al Zijn gunstbewijzen
aan t menselijk geslacht.
Lofoffers moeten Hem
blij worden opgedragen.
Laat jubelend hun stem
van al Zijn werk gewagen.

11. Er waren handelaren,
op schepen, rijk bevracht.
De Heer deed hun ervaren
Zijn wonderwerk, Zijn macht.
Zijn stem joeg golven op.
Hun schip rees tot de wolken;
zonk van de hoogste top,
weer neer in diepe kolken.

12. Door wanhoop en ellende
versmolt van angst hun hart;
door vrees voor t ongekende,
door schrik geheel verward.
Zij hadden geen verweer
en wankelden als dronken;
hun wijsheid van weleer
was hun geheel ontzonken.

13. Zij riepen in hun lijden
en angst de Heer toen aan.
Hij deed als Zijn bevrijden,
van vrees verlost, hen gaan.
Hij schonk na doodsangst vreugd.
Hij stilde storm en baren
en deed hen toen verheugd,
hun haven binnenvaren.

14. Laat hen de Heer dan prijzen,
Zijn wonderen, Zijn macht;
om al Zijn gunstbewijzen
aan t menselijk geslacht.
Laat hen Zijn reddingsdaad
waar t volk vergadert, roemen;
Zijn naam ook in de raad
der oudsten juichend noemen.

15. Als Hij Zijn macht wil tonen
wordt stroomgebied woestijn.
Om t kwaad van wie daar wonen
verzilt vruchtbaar terrein.
Dor land wordt waterpoel;
wie hongert wil Hij geven
het lang begeerde doel:
een stad waar hij kan leven.

16. Zij zien hun wijngaard bloeien;
en het gewas ontspruit.
Hij doet hun aantal groeien
en breidt hun kudde uit.
Maar rampspoed en verdriet
doen al hun krachten falen.
Hij laat in woest gebied
in schande eedlen dwalen.

17. Maar Hij beschermt verachten;
hun wacht geen slavernij.
Talrijk maakt Hij geslachten
als kudden in de wei.
Dat schenkt oprechten vreugd,
maakt stom wie onrecht prijzen.
Wie wijs is, zie verheugd
op s Heeren gunstbewijzen.


Psalm 108
1. Mijn hart, o God,weet zich gerust;
U psalmen zingen is mijn lust.
Wordt wakker, harp en citerspel,
nu ik met zang Gods roem vertel.
Dan wekt mijn loflied t morgenrood,
Heer, ik maak bij elk volk U groot;
van U meld ik zeer grote dingen
en zal verheugd U psalmen zingen.

2. Want hemelhoog is uitgebreid
Uw trouw en Uw goedgunstigheid.
O God, verhef U boven t zwerk;
heel d aarde zie Uw heerlijk werk.
Rust Uw geliefd volk toe tot strijd,
tot zegepraal, door U geleid.
Uw rechterhand bevrijd ons leven;
hoor toch naar mij, wil antwoord geven.

3. God gaf Zijn woord in t heiligdom:
dat Ik straks juichend tot u kom;
wanneer Ik Sichem delen zal,
het meetsnoer trek door Sukkoths dal.
Heel Gilead hoort toe aan Mij,
Manasse kent Mijn heerschappij;
als helm zal Efram Mij dekken,
tot scepter zal Mij Juda strekken.

4. Het land van Moab, diep veracht,
breng Ik, met Edom, in Mijn macht.
In heel het Filistijns gebied
klinkt luid Mijn overwinningslied.
O God, die ons verstoten had,
breng mij in Edoms sterke stad.
Zult Gij niet Zelf ons leger leiden;
zult Gij, o God, voor ons niet strijden?

5. Bied ons Uw hulp, wil door Uw hand
verbreken alle tegenstand.
Bewaar ons in de zware strijd,
want mensenhulp is ijdelheid.
Maar God geeft door Zijn grote macht
tot kloeke daden ons de kracht.
Hij zelf zal ons de zege geven,
de vijand wordt door Hem verdreven.


Psalm 109
1. O God, U loof ik, blijf niet zwijgen
nu goddelozen mij bedreigen.
Hun doel is, al mijn kracht te breken
door leugenachtig en vals spreken.
Hoewel daarvoor geen grond bestaat,
omringt hun woord mij, vol van haat.

2. Zie hoe zij al mijn liefde lonen
door mij hun vijandschap te tonen.
Voor hen is mijn gebed gebleven
terwijl ze mij zo fel weerstreven.
In plaats van goed doen zij mij kwaad;
mijn liefde lonen zij met haat.

3. Laat hem een goddeloze richten
en hem een aanklager betichten.
Geef dat hij schuldig wordt bevonden,
dat zijn gebed zelfs wordt tot zonde.
Maak dat hij vroeg sterft om zijn schuld,
zijn ambt door andren wordt vervuld.

4. Zijn kindren, doe z als wezen zwerven,
hun kost met bedelen verwerven.
Wil hen uit eigen bouwval jagen,
hun moeder t weduwkleed doen dragen;
zijn schuldheer aze op zijn land;
al wat hij heeft roov vreemde hand.

5. Laat niemand hem meer vriendschap schenken,
barmhartig aan zijn wezen denken,
zodat zijn nakroost uit moet sterven
en niemand meer zijn naam zal erven.
Veel kwaad dat deed zijn voorgeslacht
worde steeds door de Heer herdacht.

6. Nooit worde zonde ooit vergeven
die door zijn moeder werd bedreven.
De Heer doe zonder mededogen
die boosheid blijven voor Zijn ogen;
opdat op aarde niemand meer
ooit hun gedachtenis vereer.

7. Want in zijn onbarmhartig leven
heeft hij nooit liefde willen geven.
Vergeefs zocht wie gebogen zuchtte,
door hem vervolgd, het graf t ontvluchten.
Want zijn hardvochtigheid was groot,
hij dreef de armen in de dood.

8. Hij koos de vloek: zijn keuze sla hem;
verwierp de zegen: die ontga hem.
Met vloek wilde hij zich omringen:
laat die als water in hem dringen;
die trekke, daar hij vloek verkoor,
als olie in zijn botten door.

9. De vloek die hem voorgoed mag kleden,
zij als een gordel om zijn leden.
De Heer moog daarmee hen belonen,
die mij belagen en mij honen;
zij spreken met hun hart vol haat,
niets tegen mij dan enkel kwaad.

10. Maar Gij, o Heer, kom mij bevrijden
wees trouw Uw naam, heb medelijden,
want rijk genoeg is Uw genade.
Sla mij in mijn ellende gade.
Geen hulp heb ik en moegetart
ben ik doorwond diep in mijn hart.

11. Zoals een schaduw gaan mijn dagen;
k word als een sprinkhaan weggeslagen.
Broodmager ben ik, zwaar van lasten;
mijn knien knikken door het vasten.
Daarom ben ik hun tot een smaad,
schudt elk het hoofd die langs mij gaat.

12. Help, Heer mijn God, mij op mijn bede,
redt mij naar Uw goedgunstigheden.
Laat, Heer, Uw hand hen daarin merken,
erkennen dat het zijn Uw werken.
Hef Gij nu zegenend Uw hand.
Al vloeken zij, maak hen te schand.

13. Uw knecht zal dan zijn redding vieren.
Hen mag het schandekleed ontsieren.
Ik loof Hem luid, dat velen weten:
de Heer zal armen nooit vergeten.
Want aan hun rechterhand staat Hij;
van wie veroordeelt maakt Hij vrij.


Psalm 110
1. Zo heeft de Heer eens tot mijn Heer gesproken:
Zit naast Mij aan Mijn rechterhand, vol eer,
tot Ik met macht Uw vijand heb verbroken;
hem leggend voor Uw voet als voetbank neer.

2. Uit Sion zal de Heer Uw scepter reiken:
Heers Gij, werp neer Uw vijand door Uw hand.
Als Gij Uw volk ten strijde roept, zal blijken:
het schaart zich zeer gewillig aan Uw kant.

3. Voor U rijst op een schare jonge helden,
ten strijd gereed, in heilig feestgewaad.
Zij zijn als dauw, die parelt op de velden,
geboren uit de prille dageraad.

4. Eens heeft de Heer U deze eed gezworen-
en het berouwt Hem niet in eeuwigheid:
De eeuwen door tot priester thans verkoren,
wil Ik dat Gij als Melchizedek zijt.

5. Dan zal de Heer die altijd U bewaarde,
steeds in de strijd staan aan Uw rechterhand;
en koningen verplettert Hij op aarde,
wanneer de dag komt dat Zijn toorn ontbrandt.

6. Dan zal die Vorst de macht der volken breken,
Hij houdt gericht en dekt met lijken t veld.
Lest onderweg Zijn dorst uit koele beken;
daarom heft Hij het hoofd op als een held.


Psalm 111
1. Met heel mijn hart loof ik de Heer,
die ik met al d oprechten eer.
Ik prijs des Heeren grote werken.
Wie met behagen daarnaar speurt
zal steeds in alles wat gebeurt
Zijn eer en majesteit bemerken.

2. Zijn heilig recht houdt eeuwig stand;
de wonderdaden van Zijn hand
moet ieder aldoor aandacht schenken.
Hij is genadig, mild en goed,
elk die Hem vreest heeft Hij gevoed,
trouw blijft Hij Zijn verbond gedenken.

3. Zijn volk heeft Hij Zijn kracht getoond:
een land, door heidenen bewoond,
deed Hij in gunst Zijn volk berven.
Al wat Hij doet is trouw en recht,
wat Hij aan wetten geeft is hecht;
Zijn almacht deed hen dit verwerven.

4. Hij, die Zijn volk verlossing zond,
gaf hun voor eeuwig Zijn verbond;
Zijn naam is heilig, zeer te vrezen.
Begin van wijsheid schenkt de Heer
aan hen die leven tot Zijn eer.
Zijn lof houdt stand, zal eeuwig wezen.


Psalm 112
1. Geeft lof de Heer, Hij zij geprezen.
Welzalig hij die Hem wil vrezen.
Wie lust heeft aan Zijn wet en orde
diens nageslacht zal machtig worden;
int huis van wie oprecht zich tonen,
zal overvloed en rijkdom wonen.

2. In alle eeuwen die verstrijken
zal zijn gerechtigheid nooit wijken.
Voor elk oprechte gaat vol luister
het stralend licht op in het duister.
Barmhartig schijnt het en genadig,
volmaakt rechtvaardig en weldadig.

3. Hem gaat het goed, die op hun vragen
aan armen leent, hoort naar hun klagen;
hij richt zijn zaken naar behoren,
want nimmermeer zal hij ontsporen.
Voor altijd blijft de naam in waarde,
van wie rechtvaardig is op aarde.

4. Nooit zal hem kwaad gerucht benauwen;
zijn hart blijft op de Heer vertrouwen.
Hij ziet met vreugd wie hem bestrijden,
mild schenkt hij aan wie armoe lijden;
hij is rechtvaardig, steeds standvastig
en wordt in eer en aanzien machtig.

5. Wie boos is, altijd leeft in t kwade,
slaat steeds met ergernis dit gade.
Hij knarsetandt, verteerd door woede,
jaloers op zoekers van het goede.
Zo gaat teniet de wens der bozen,
de plannen van de goddelozen.


Psalm113
1. Gij, s Heeren knechten, looft de Heer.
Geeft aan Zijn naam de hoogste eer,
die naam moet eeuwig zijn geprezen.
Vanwaar de zon in pracht verrijst
tot waar het avondrood vergrijst
zij s Heeren naam steeds eer bewezen.

2. De Heer, die boven heemlen woont,
ver boven alle volken troont,
is daar in heerlijkheid gezeten.
Wie is als onze God, de Heer,
ziet van zo hoog op aarde neer?
Wie zou met Hem zich kunnen meten?

3. Hij heft geringen uit het stof,
richt armen op, doet hen aan t hof
bij vorsten en bij eedlen wonen.
Ook schenkt Hij door Zijn grote trouw
de droeve kinderloze vrouw
het blijde moederschap van zonen.


Psalm114
1. Toen Isral Egypteland verliet
en Jakobs huis dit vreemde taalgebied,
werd Juda God tot woning.
Hij heeft het tot Zijn heiligdom gewijd;
Zijn rijksgebied werd Isral altijd,
daar heerste God als Koning.

2. Dit zag de zee zij vluchtte haastig voort,
ook de Jordaan werd in zijn loop gestoord
en achteruit gedrongen.
t Gebergte sprong als rammen in het veld;
als lammeren zijn heuvels, zeer ontsteld
en bevend opgesprongen.

3. Wat was er zee, waarom vluchtte u voort?
En u, Jordaan, wat heeft uw loop verstoord,
deed u naar achter dringen?
Wat sprong u op, gij bergen van de grond
als rammen, wat heeft heuvels in het rond
als lammeren doen springen?

4. Gij aarde, beef voor s Heeren aangezicht,
voor Jakobs God, die zoveel heeft verricht
waaraan men blij mag denken;
die uit de rots fonteinen maken kon;
de keisteen werd op Zijn bevel een bron
om lafenis te schenken.


Psalm 115
1. Geef niet aan ons, maar aan Uw naam de eer
om al Uw trouw, om Uw genade, Heer,
die U ons wilt betonen.
Waarom toch zou der volken wrange spot,
dan zeggen straks: Waar toch is nu hun God,
om U daarmee te honen?

2. Hij, onze God die in de hemel woont,
doet al wat Hem behaagt vanwaar Hij troont;
geen macht legt Hem aan banden.
Hun goden, waar men tevergeefs op bouwt,
zijn afgoden van zilver en van goud
en werk van mensenhanden.

3. Hun mond zwijgt stil, terwijl hun oog niet ziet;
hun oor is doof en in hun neus kan niet
de geur van wierook dringen.
Hun hand kan niets, neemt nimmer offers aan;
hun voet staat stil, zij kunnen niet eens gaan;
niets laat hun keel ontwringen.

4. Zo zal het wie hen maakten ook vergaan;
al wie op hen betrouwt, zal niet bestaan,
zal eens op hen gelijken.
Maar, Isral, steun krachtig op de Heer.
Hij is hun hulp, hun schild en tegenweer;
zij zullen niet bezwijken.

5. Arons huis, vertrouw gij op de Heer.
Hij is hun hulp, hun schild en tegenweer;
volhard op Hem te bouwen.
Bouwt op de Heer, gij allen die Hem vreest;
te allen tijd is Hij hun hulp geweest,
hun schild en hun betrouwen.

6. Zijn zegen geeft de Heer, die ons gedacht;
Hij deelt die mee aan Israls geslacht,
aan al Zijn gunstgenoten.
Ook zegent Hij Arons huis zeer rijk,
al wie Hem vreest toont Hij Zijn liefdeblijk,
kleinen zowel als groten.

7. De Heer die het heelal heeft voortgebracht,
vermeerdre u en ook uw nageslacht,
u zal Hij zegen geven.
De Heer is het die in de hemel troont,
die d aarde gaf opdat de mens er woont
om daar voor Hem te leven.

8. Geen dode zal ooit zingen s Heeren lof;
niet een van wie in stilte werd tot stof,
kan Hem nog eer bewijzen.
Wij evenwel, wij loven blij de Heer,
want groot is Hij, wij zullen tot Zijn eer
Hem nu en altijd prijzen.


Psalm 116
1. God heb ik lief: Hij luistert naar mijn stem,
de Heer verstaat mijn smeken en mijn klagen;
Hij gaf gehoor, liet niet vergeefs mij vragen,
mijn leven lang roep ik daarom tot Hem.

2. Ik werd omkneld door banden van de dood;
benauwdheid greep mij aan in al mijn leden.
Maar in mijn angst heb ik de Heer gebeden:
Ach Heer, verlos mijn leven uit de nood.

3. Toen heeft de Heer mij van de dood gered,
ik ondervond: Hij is mij zeer genadig;
groot is de Heer, rechtvaardig en weldadig,
ja, onze God onfermt zich op t gebed.

4. Zie hoe de Heer eenvoudigen bewaart.
Ik was verzwakt: Hij schonk opnieuw mij leven.
Hij heeft mij weer volkomen rust gegeven;
ik ben verlost, de Heer heeft mij gespaard.

5. Want voor de dood hebt Gij mij trouw behoed;
mijn voet geleid, mijn tranen willen drogen.
Nu wandel ik vol vreugd voor s Heeren ogen,
daar ik het land der levenden begroet.

6. Ik heb geloofd, ook in mijn diepste smart,
zelfs toen ik sprak: Zie hoe ze mij benauwen;
wanhopig zei: Geen mens is te vertrouwen,
want elk spreekt uit een leugenachtig hart.

7. Hoe zal ik ooit de Heer, die mij verblijdt
met zoveel goeds, Zijn grote trouw vergelden?
Ik hef de kelk, zal zo Zijn heil vermelden,
en s Heeren naam roem ik uit dankbaarheid.

8. Ik zal de Heer, die mij tot dank bewoog,
zoals ik Hem beloofd heb, eer bewijzen,
Hem onder al Zijn gunstgenoten prijzen.
Hoe kostbaar is hun dood in s Heeren oog.

9. Voorzeker, Heer, ik ben en blijf Uw knecht,
ik hoor U toe; Uzelf verbrak mijn banden;
U roep ik aan en breng U offeranden
als dank de naam des Heeren toegezegd.

10. In s Heeren huis, waar t volk zich voegt tezaam,
zal ik de Heer, naar mijn geloften loven.
Jeruzalem: daar, in Uw heilge hoven,
hef ik voor God mijn halleluja aan.


Psalm 117
1. Looft al gij volkeren, de Heer,
waar ook ter wereld, geeft Hem eer;
want over ons welft zich altijd,
Zijn machtige goedgunstigheid.
En eeuwig duurt, wat ook verga,
des Heeren trouw, halleluja.


Psalm 118
1. Laat ieder s Heeren goedheid prijzen:
Zijn gunst is tot in eeuwigheid.
Laat Isral Hem eer bewijzen:
Zijn gunst is tot in eeuwigheid.
Dit zij het lied der priesterkoren:
Zijn gunst is tot in eeuwigheid.
Al wie de Heer vreest, laat het horen:
Zijn gunst is tot in eeuwigheid.

2. Uit mijn benauwdheid en mijn lijden
riep ik de Heer ootmoedig aan.
Hij gaf mij antwoord: Hij bevrijdde
en deed mij in de ruimte staan.
Dicht bij de Heer zal ik niet vrezen;
geen nietig mens verschrikt mij meer,
omdat de Heer mijn hulp wil wezen,
zie ik op wie mij haten neer.

3. t Is beter bij de Heer te schuilen
dan dat men steunt op mensenmacht.
t Is beter bij de Heer te schuilen
dan dat men hulp van heersers wacht.
Toen rondom mij de volken kwamen,
sloeg ik in s Heeren naam hen neer;
toen zij rondom mij stelling namen,
sloeg ik in s Heeren naam hen neer.

4. Zij zwermden om mij heen als bijen,
maar zijn als doornenvuur gedoofd.
Ik viel hen aan, doorbrak hun rijen,
heb ze in s Heeren naam gekloofd!
O vijand, die met felle stoten
mij bijna had ten val gebracht:
ik heb des Heeren hulp genoten,
Hij is mijn heil, mijn psalm, mijn kracht.


5. Hoort! Luid geklank van blijde tonen
plant nu van tent tot tent zich voort.
Waar de rechtvaardigen ook wonen,
rijst zegezang van oord tot oord.
Hoog heeft de Heer ons nu verheven
door daden van Zijn rechterhand.
Hij heeft ons krachtig hulp gegeven
door daden van Zijn rechterhand!

6. Dit weet ik vast: ik zal niet sterven,
maar ik mag leven tot Zijn eer;
Hij deed mij Zijn triomf verwerven,
ik zal getuigen van de Heer.
Zwaar heeft de Heer mij wel geslagen,
maar niet verlaten in mijn nood,
Hij deed genadig uitkomst dagen,
gaf mij niet over aan de dood.

7. Komt wachters, opent voor mijn schreden
die poorten der gerechtigheid;
door deze zal ik binnentreden
en loven s Heeren majesteit.
Dit is de poort, de poort des Heeren,
waardoor t rechtvaardig volk mag gaan;
U was mijn heil, U zal ik eren:
U heb verhoord, mij welgedaan.

8. En steen, versmaad door alle bouwers,
werd weggeworpen, was veracht,
maar werd voor ogen van aanschouwers,
nu juist als hoeksteen aangebracht.
Dit is door s Heeren groot vermogen,
naar Zijn besluit alleen geschied,
dat is een wonder in onz ogen:
wij zien het, maar doorgronden t niet.

9. Dit is de dag, het werk des Heeren:
laat ons dan juichen vol van vreugd.
Och Heer, geef heil naar ons begeren,
schenk voorspoed, die ons hart verheugd!
Gezegend hij, die komt getreden,
in s Heeren naam ons hier ontmoet;
met zegenwens, u toegebeden,
wordt gij uit s Heeren huis begroet.

10. God is de Heer, Hij doet ons schouwen
Zijn licht, is ons tot heil geweest.
Bindt op het altaar vast met touwen
uw offerdieren voor dit feest.
U bent mijn God, U zal ik loven,
mijn God, U prijs ik voor altijd.
Goed is de Heer, laat elk Hem loven,
Zijn gunst is tot in eeuwigheid.


Psalm 119
1. Gelukkig zij die in heel hun bestaan,
in al hun doen oprecht en eerlijk blijven.
Zalig wie in de wet des Heeren gaan;
Hem zoeken om geen zonde te bedrijven.
Zij nemen Zijn getuigenissen aan
om die met heel hun hart te onderschrijven.

2. Gelukkig wie met hart en ziel begeert
om onverdeeld te wandlen op Zijn wegen.
Zalig wie, door Zijn wetten geregeerd,
in woord en daad dan ook geen onrecht plegen.
U vordert, dat men Uw bevelen eert,
die ijverig te houden, U genegen.

3. Och, geef dat ik mag gaan met vaste tred
om in mijn gang mij naar Uw wil te richten.
Dan houd ik al wat Gij hebt ingezet
en zal ik voor de zonde nimmer zwichten.
Dan zal ik niet beschaamd staan als ik let
op Uw gebod dat mijn pad komt verlichten.

4. U loof ik in oprechtheid van gemoed,
wanneer ik door Uw wetten mij laat leren.
Die zijn volmaakt, rechtvaardig, wijs en goed;
om die te doen is altijd mijn begeren.
Uw wil te doen is wat mij leven doet;
laat mij niet los; wil u niet van mij keren.

5. Hoe zal wie jong van jaren is, zijn weg
toch schuldeloos en onbesmet bewaren?
Als hij zich houdt aan wat Uw woord hem zegt,
blijft bij wat Gij hebt willen openbaren.
Van harte zoek ik U, geheel oprecht;
geef dat ik Uw geboden nooit laat varen.

6. Uw woorden berg ik als een grote schat
diep in mijn hart; ik zal die trouw bewaken.
Geef dat ik niet, zo ik Uw woord vergat
zou zondigen, bij U mijn schuldig maken.
U loof ik Heer, leer op mijn levenspad,
die rijke schat toch nimmer te verzaken.

7. Luid heb ik al de rechten van Uw mond,
met lust verteld en vlijtig onderwezen.
Uit heel de schat van t grote wereldrond
is nooit die vreugd mij in het hart gerezen,
die ik in Uw getuigenissen vond,
door mij betracht en ieder aangeprezen.

8. Ik overdenk Uw voorschriften voortaan,
ik zal die in mijn leven zeer hoog achten.
Mijn oog zal op Uw paden letten gaan;
daarop richt ik met vreugde mijn gedachten.
Hoe lokt wat Gij hebt ingezet mij aan,
Uw woord vergeet ik nooit, zal dat betrachten.

9. Wil weldoen op zijn bede aan Uw knecht,
dan leef ik blij en voel mij opgeheven;
dan houd ik mij vast aan Uw woord gehecht.
Open mijn oog, wil helder inzicht geven.
Laat mij zo zien hoe wonderbaar en recht
Uw wetten zijn, die U ons gaf ten leven.

10. Ik die op aard als vreemdeling verkeer,
ben hier als gast die hulp zoekt te ontvangen.
Onthoud toch Uw geboden mij niet meer;
leer mij daaruit U volgen op Uw gangen.
Geef mij dan Uw verordeningen weer,
ik kijk daar steeds naar uit met groot verlangen.

11. Uw toorn bedreigt vervloekten hun bestaan,
Uw oordeel treft hen die U trots onteren,
zij dwalen ver van Uw gebod vandaan.
Omdat mijn vreugd het is, mijn hoogst begeren
mijn weg naar Uw getuigenis te gaan,
wil daarom hoon en schande van mij weren.

12. Al zetten zelfs zich vorsten dreigend neer,
in overleg hoe zij mij kunnen schaden:
Uw knecht versaagt niet, maar hij houdt te meer
zich aan Uw wet, in woorden en in daden.
Ja, immers, Uw geboden die ik eer
zijn mijn vermaak, ik laat mij daardoor raden.

13. Om zonde in mij, buig ik diep, red mij
als uit de dood, wil mij weer levend maken.
Mijn wegen heb ik U verhaald en Gij,
Gij deedt mij door Uw antwoord blijdschap smaken.
Leer mij Uw weg, k zal met Uw hulp daarbij,
Uw wetten niet vergeten noch verzaken.

14. Doe mij de zin van Uw bevel verstaan,
dan blijf ik steeds Uw wondren overdenken.
Wees in Uw gunst toch over mij begaan;
weet hoe ik huil, hoe droefheid mij gaat krenken.
Richt mij weer op, zet mij op effen baan;
wil naar Uw woord mij Uw verkwikking schenken.

15. Bewaar mij, dat geen leugen mij verleid,
zodat ik van Uw wegen af zou dwalen.
Schenk mij in gunst Uw wet te allen tijd,
dat daaruit licht mij helder mag omstralen.
Ik kies de weg van trouw, U toegewijd,
steeds zal ik bij Uw wetten mij bepalen.

16. Ik klem mij vast aan Uw getuigenis.
O Heer, laat niet vergeefs mij op U hopen.
U bent mijn licht, mijn dag bij duisternis,
Uw woorden doet Gij voor mijn ogen open,
verruimt mijn hart en maakt mijn reis gewis.
Ik zal de weg van Uw geboden lopen.

17. Geef Heer, aan mij genadig onderricht,
dat ik, wat Gij hebt ingezet, mag leren.
Dan zal ik, voor Uw heilig aangezicht
ten einde toe, mij tot Uw wegen keren.
Geef mij verstand, dan zal ik naar mijn plicht,
door woord en daad Uw wet van harte eren.

18. Doe mij het pad van Uw geboden gaan,
want daarin is mijn lust en heel mijn leven.
Neig dan mijn hart dat ik van nu voortaan
doe wat Gij zegt, aan U de eer zal geven.
Dit is mijn wens, zolang ik mag bestaan
niet naar bedrog of winstbejag te streven.

19. Wend af mijn oog van alle zinloosheid;
geef leven aan mij, door Uw goede woorden,
dat ik Uw weg mag gaan, in U verblijd,
omdat wat Gij beloofd hebt, mij bekoorde.
Laat voor Uw knecht dat vaststaan voor altijd,
voor hem die steeds vol eerbied naar U hoorde.

20. Wend van mij af de smaadheid die ik ducht,
want goed en recht zijn Uw verordeningen.
Hem die ze doet, geeft dat zeer rijke vrucht,
zij geven steun en stuur in alle dingen.
Doe mij, die sterk naar Uw bevelen zucht,
herleefd door Uw gerechtigheid, weer zingen.

21. Dat mij Uw heil, o Heer, door U beloofd,
Uw goede gunst mij toch mag overkomen;
opdat ik aan mijn smaders, hoofd voor hoofd,
een antwoord klaar heb, zonder mij te schromen;
want in Uw woord heb ik altijd geloofd,
daaraan klem ik mij vast met alle vromen.

22. Ontneem toch aan mijn mond niet al te zeer
Uw grote trouw, waaruit ik steeds wil leven;
want in Uw wet, die ik voortdurend eer
is al mijn hoop, door U aan mij gegeven.
Ik zal mij aan Uw wetten altijd meer
met heel mijn hart gehoorzaam overgeven.

23. In vrijheid zal ik wandelen voortaan;
mij zal door Uw bevelen niets ontbreken,
die zoek ik, om Uw weg te kunnen gaan;
want die zijn mij tot hulp en steun gebleken.
Ik schaam mij niet voor koningen te staan,
tot hen van Uw getuigenis te spreken.

24. Ik richt op Uw geboden hart en zin,
mijn lust is het mij daarin te verblijden;
naar Uw gebod, dat ik zozeer bemin,
z liefheb, steek ik uit mijn handen beide,
die overdenk ik, span er mij voor in
voortdurend die te mogen onderscheiden.

25. Denk aan het woord, gesproken tot Uw knecht,
waarop U mij verwachting hebt gegeven;
wat Gij voorheen aan mij hebt toegezegd,
heeft mij uit mijn ellende opgeheven.
Vast houd ik aan Uw woorden mij gehecht,
om dankbaar en getroost daaruit te leven.

26. Al word ik door hoogmoedigen gehaat,
die mij met spot in overmoed omringen,
toch zorg ik dat ik niet Uw wet verlaat.
Zo vaak ik denk aan Uw verordeningen,
vanouds van kracht, o Heer, mijn Toeverlaat,
ben ik getroost in mijn vernederingen.

27. Hoe sterk greep mij de schrik en afschuw aan,
om hen die Uw wet goddeloos verachten.
Ik echter zal mijn weg met blijdschap gaan
en al wat Gij hebt ingezet, betrachten.
De vreemdlingschap zal dit voor mijn bestaan
als snarenspel en zang voor mij verzachten.

28. Ook houd ik mij bij nacht zelfs aan Uw wet,
ik zal daarbij Uw goede naam gedenken
en heb mijn hoop, Heer, op Uw wet gezet;
die blijft bij mij steeds tot volharding wenken.
Dit is mijn deel omdat ik er op let
aan Uw bevel getrouw gehoor te schenken.

29. Zo is de Heer mijn deel, mijn hoogste goed;
ik heb beloofd Uw woorden te bewaren.
Uw gunst bezielt mij met veel hoop en moed;
die zoekt mijn hart, niets kan haar evenaren.
Als U aan mij naar Uw belofte doet,
zal ik Uw trouw en liefde steeds ervaren.

30. Wanneer ik op mijn wegen mij bezin,
nauw overleg hoe ik voor U moet leven,
dwing ik mijn voet weer tot een nieuw begin.
Ik aarzel niet mij haastig te begeven
naar Uw vermaan dat ik zozeer bemin,
zal naar het doen van Uw geboden streven.

31. Wie goddeloos zijn, loeren op mijn val,
hoe nauw zie ik hun strikken mij omringen,
Uw wet vergeet ik nimmer, maar ik zal
opstaan om U te middernacht te zingen.
Ik loof U om Uw daden zonder tal,
rechtvaardig zijn al Uw verordeningen.

32. Ik ben een vriend, ik ben een metgezel
van allen die met diep ontzag U eren,
ik wil met hen die doen naar Uw bevel,
steeds beter wat Gij ingezet hebt, leren.
Heel d aarde Heer, is vol van Uw bestel,
leer door die gunst mij Uw wet meer begeren.

33. U hebt, o Heer, aan Uw knecht goedgedaan,
hebt op Uw woord hem niet verkeerd doen bouwen.
Leer mij dat woord goed kennen en verstaan,
ik stel in Uw geboden veel vertrouwen.
Doe mij de weg van Uw bevelen gaan;
die goede keus zal nimmer mij berouwen.

34. Voordat ik werd verdrukt, heb ik gedwaald,
ik onderhoud nu echter trouw Uw woorden,
ik ga in t licht dat daaruit helder straalt.
Want U bent goed, doet goed wie naar U hoorden.
Leer mij verstaan al wat Gij hebt bepaald,
wat Gij mij zegt en telkens mij bekoorde.

35. Hoogmoedig volk dicht mij nu leugens toe,
maar ik blijf U van ganser harte vrezen,
ik word het doen van Uw bevel niet moe.
Hun stenen hart heeft trots U afgewezen
maar toch voor mij, die Uw geboden doe,
zal in Uw wet mijn lust, mijn vreugde wezen.

36. Het is mij goed verdrukt te zijn geweest,
opdat ik voor Uw wil zou leren bukken.
Hoe straalt mijn oog als het Uw wetten leest.
t Woord uit Uw mond: hoe kan het mij verrukken.
Dat woord maakt mij veel vrolijker van geest
dan duizenden van goud of zilverstukken.

37. Uw hand heeft mij gemaakt, formeerde mij,
geef mij verstand en kennis van Uw wegen,
breng Uw gebod mij meer en meer nabij.
Elk die U vreest zal, tot Uw dienst genegen,
met grote vreugd zich scharen aan mijn zij,
want in Uw woord is al mijn hoop gelegen.

38. Ik weet, o Heer, dat in gerechtigheid
Uw straffen en Uw oordeel tot ons komen.
Toen ik verdrukt werd, door U gekastijd,
heb ik daarin juist dan Uw trouw vernomen;
geef dat Uw knecht naar Uw goedgunstigheid,
de troost door U beloofd, ook mag bekomen.

39. Breng over mij toch Uw barmhartigheid
en wil, opdat ik leve, mij die schenken,
want in Uw wet vind ik mijn lust altijd.
Maak hen beschaamd, wie mij in hoogmoed krenken,
daar z onverdiend mij kwellen in hun nijd;
maar Uw bevel blijf ik steeds overdenken.

40. Doe wie U vreest toch aan mijn zijde staan,
hen die aan Uw getuigenissen kleven:
doe mij met hen Uw weg blijmoedig gaan.
Laat zo mijn hart zich ook volkomen geven;
leer mij wat Gij hebt ingezet verstaan,
opdat ik niet beschaamd sta in mijn leven.

41. Hoe haak ik naar Uw heil, daar ik verwacht
dat Gij aan mij Uw woorden waar zult maken:
zie hoe mijn oog naar Uw belofte smacht.
Uw woord is al mijn hoop, mijn lichtend baken;
wanneer toch zult Gij komen in Uw kracht,
opdat ik Uw vertroosting moge smaken?

42. Hoewel ik werd als leer, door rook vergaan,
k heb nooit wat Gij hebt ingezet, vergeten.
Hoe lang nog zal op aard Uw knecht bestaan,
ja, hoeveel tijd is hem nog toegemeten?
Wanneer breekt Uw gericht zich toch eens baan
en laat wie mij vervolgt Uw vonnis weten?

43. Ik word door hen die trots zijn, wreed veracht,
zij graven mij een kuil om mij te doden,
nooit hebben zij Uw goede wet betracht.
Waarachtig trouw zijn toch al Uw geboden;
ik word vervolgd en in het nauw gebracht,
kom mij te hulp: red mij van al die snoden!

44. Zij hebben mij op aarde haast verdaan,
maar ik bleef Uw bevelen onderhouden.
Neem mij voortaan door Uw genade aan,
ten spijt van hen die mij zozeer benauwden;
dat ik de weg van leven op mag gaan,
die in Uw woord aan mij is voorgehouden.

45. Uw heilig woord, Heer, houdt voor eeuwig stand,
zo duurzaam als de hemel zal het blijken.
Ook zal Uw trouw een vast en zeker pand
elk nieuw geslacht vertroosten en verrijken.
De aarde is gegrondvest door Uw hand,
zodat zij staat: niet uit haar stand zal wijken.

46. Hemel en aard, U hebt ze geformeerd,
staan daar naar Uw verordening nog heden,
Uw knechten zijn ze die Uw hand regeert.
Ik was vergaan in al mijn moeilijkheden
als ik Uw wet niet vurig had begeerd
en met veel vreugd Uw weg niet had betreden.

47. Hoe hebben Uw bevelen mij verrukt;
die blijven mij voortdurend in gedachten,
want hierdoor gaf U, toen ik ging gebukt,
mij door Uw trouw weer nieuwe levenskrachten.
Ik ben van U, red mij van wie verdrukt,
want Uw bevel zoek ik, dat zal ik wachten.

48. Wie goddeloos zijn, loeren op mijn dood;
maar ik geef acht op Uw getuigenissen.
Ik zag: wat hier volkomen is en groot
is maar beperkt, zal zijn verderf niet missen,
maar onbegrensd is al wat Gij gebood
en dit alleen is nimmer uit te wissen.

49. Hoe lief heb ik Uw wet! Ja heel de dag
blijft die mij bij, wijkt niet uit mijn gedachten.
Uw woord is t dat mij aanspreekt met gezag,
waaruit ik steeds mijn inzicht mag verwachten.
Ik weet, omdat ik Uw wet kennen mag,
meer wijsheid dan mijn vijand te betrachten.

50. Ik overtref mijn leraars in verstand:
ik mag bij Uw getuigenissen leven
en overdenk die, leg daarop mijn hand.
Door Uw bevel toch wordt aan mij gegeven
meer inzicht dan aan d ouden van het land,
daarin hebt Gij mij boven hen verheven.

51. Ik zorg ervoor dat ik mijn voet niet zet
op wegen die vol kwaad mij van U keren,
opdat ik mij zou houden aan Uw wet,
wil ik al Uw verordeningen eren.
Ik leef ernaar, getrouw en nauwgezet,
want Gij wilt door Uw onderricht mij leren.

52. Hoe aangenaam, hoe zoet is mij Uw woord,
geen honing kan mijn tong ooit fijner strelen,
ik heb met vreugd Uw woorden aangehoord.
Meer inzicht won ik door al Uw bevelen;
zij geven mij de wijsheid die bekoort,
elk leugenpad haat ik, zal dat niet delen.

53. Uw woord is mij een lamp, een helder licht,
dat mijn voet richt, te midden van gevaren.
Bij ede heb ik mij ertoe verplicht
wat Gij beveelt, zorgvuldig te bewaren.
Rechtvaardig is dit, het geeft onderricht,
in waarde is dat nooit te evenaren.

54. Ik ben te zeer verdrukt, te diep veracht,
o Heer, doe mij toch naar Uw woord herleven.
Aanvaard mij Heer, geef op mijn loflied acht,
al wat mijn mond als offer U wil geven,
wordt U geheel vrijwillig nu gebracht.
Leer mij naar Uw verordeningen leven.

55. Mijn leven is voortdurend in gevaar,
maar toch zal ik Uw wetten niet vergeten.
Wie goddeloos zijn, leggen strikken klaar,
willen voor mij van geen ontferming weten.
Van Uw bevel, voor mij zo wonderbaar,
dwaal ik niet af, mag dat mijn vreugde heten.

56. Ik heb in Uw getuigenis een schat,
een erfenis die niet vergaat, ontvangen,
tot blijdschap, niet te roven is mij dat.
Want het blijft ook mijn hartelijk verlangen
te doen naar wat Uw inzetting omvat;
Uw liefdedienst houdt heel mijn hart gevangen.

57. Halfslachtigheid wordt zeer door mij gehaat,
maar aan Uw wet blijf ik mijn liefde geven;
U immers bent mijn schild en toeverlaat,
veilige borg tot berging van mijn leven.
Op mensenhulp maak ik nu nimmer staat;
k hoop op Uw woord, dat mij nooit zal begeven.

58. Gaat weg van mij, u die het kwade doet;
k zal wat mijn God geboden heeft bewaren.
Schraag mij naar Uw belofte, geef mij moed,
opdat ik leef, beveiligd in gevaren;
o stel mij niet teleur, maar doe mij goed,
opdat ik nooit beschaamd, de hoop laat varen.

59. Kom mij te hulp, steun mij op mijn gebed,
ik zal verlost, voortdurend mij verblijden
in alles wat van U werd ingezet
en vastgesteld door U voor alle tijden.
U toch verwerpt al wie veracht Uw wet,
want hun bedrog zal hun geen winst bereiden.

60. Wie goddeloos hier op de aarde leeft
acht Gij als schuim, door U straks weggesmeten,
t is daarom dat mijn hart veel liefde heeft
voor al wat Uw getuigenis doet weten.
Schrik slaat mij om het hart dat angstig beeft
wanneer Gij spreekt, ten oordeel neergezeten.

61. Gerechtigheid en recht heb ik gedaan:
geef mij niet prijs aan hen die mij verdrukken
en zie Uw knecht in Uw ontferming aan;
wees borg voor mij, wil m aan hun macht ontrukken.
Kom voor mij op, beschaam hen in hun waan,
geef dat ik nooit voor hun trots hoef te bukken.

62. Mijn oog richt naar Uw heil zich smachtend heen
en naar Uw woord, naar Uw betrouwbaar spreken.
Doe mij naar Uw goedgunstigheid alleen,
laat die de nacht toch voor Uw knecht doorbreken
en wil voor mij, wie alles duister scheen,
het licht van Uw getuigenis ontsteken.

63. Ik ben Uw knecht, verleen aan mij verstand,
opdat ik Uw getuigenis mag kennen.
Nu is het tijd, dat s Heeren rechterhand
Zijn kracht vertoont aan wie Hem niet erkennen;
zij schenden steeds Uw wet aan alle kant
en willen aan gehoorzaamheid niet wennen.

64. Omdat ik lief heb wat Gij hebt gezegd,
blijf ik Uw wet meer dan zeer fijn goud achten;
daarom houd ik, wat Gij gebiedt voor recht
en zoek ik Uw bevelen te betrachten.
Maar ik haat al wat zondig is en slecht,
elk leugenpad zal ik altijd verachten.

65. Hoe wondervol is Uw getuigenis,
daarom zal ik dat zeer getrouw bewaren.
Als zich Uw woord ontvouwt, ontsloten is
zal t als een licht het duister op doen klaren.
Wie zijn verdwaald, hun doel maakt Gij gewis,
Uw kennis maakt onkundigen ervaren.

66. Ik doe mijn mond wijd open, ik verlang
ja hijg naar Uw gebod met ziel en zinnen.
Keer U tot mij, want het is mij zeer bang;
doe mij Uw rust, mij Uw genade winnen
en kom te hulp, verberg U niet zo lang;
U doet toch recht aan wie Uw naam beminnen.

67. Doe U mijn gang met vaste schreden gaan
als toegezegd, mij op Uw paden blijven.
Houd onrecht en druk ver bij mij vandaan;
hoed mij voor hen die altijd kwaad bedrijven.
Geef dat ik Uw bevelen mag verstaan,
dan onderhoud ik wat Gij voor zult schrijven.

68. Doe over Uw knecht lichten Uw gelaat
en onderwijs hem Uw verordeningen;
lief is hem wat daarin geschreven staat
bij wat hij denkt, bij al zijn handelingen,
zodat, als men Uw wet vergeten gaat,
tranen van smart hem in de ogen dringen.

69. O Heer, U bent rechtvaardig, U bent waar,
door Uw gebod ontvangen wij het leven.
Ook blinken Uw getuigenissen klaar
die U hebt in gerechtigheid gegeven.
Uw grote trouw is daarin openbaar,
onwankelbaar en hemelhoog verheven.

70. Door ijver voor Uw woord word ik verteerd,
omdat zij die mij tegenstaan, mij haten.
Zij hebben zich Uw woorden afgekeerd,
Uw woord, waarop Uw knecht zich mag verlaten
dat heeft hij lief, hij wordt erdoor geleerd
het is beproefd, gelouterd bovenmate.

71. Ik ben veracht en enkel nietigheid,
maar ik zal Uw bevelen niet vergeten.
Voor eeuwig vast is Uw gerechtigheid;
ontwijfelbaar mag die voortdurend heten.
Uw goede wet, die helder licht verspreidt,
is trouw en waar en doet Uw wil ons weten.

72. In nood en druk weet ik Uw hulp gewis,
word ik door mijn verdrukkers voortgedreven,
dan troost Uw woord mij, dat mijn blijdschap is.
Wil mij daardoor verstand en inzicht geven.
Voor eeuwig geldt Uw rein getuigenis
en in Uw recht is mij het ware leven.

73. Mijn ganse hart roept: O Heer, antwoord mij;
ik zal, wat Gij hebt ingezet, betrachten.
U roep ik aan; help nu en maak mij vrij;
hoog zal ik Uw getuigenissen achten,
dan houd ik die; maar sta U mij toch bij,
ik zal mij dan voor overtreding wachten.

74. Ik roep tot U, nog voor het duister wijkt,
dan doet mijn stem om hulp zich tot U horen,
k hoop op Uw woord en eer de nacht verstrijkt,
zie ik al uit naar t lichtend ochtendgloren.
Zie hoe mijn oog met sterk verlangen reikt
naar wat mij Uw belofte heeft bezworen.

75. Merk op en hoor genadig naar mijn stem;
wil naar Uw recht, o Heer, mij levend maken.
Mijn vijanden willen zich aan de klem
van heel Uw wet onttrekken, haar verzaken;
zij kennen in hun jacht naar kwaad geen rem,
wie zich in al wat schande is, vermaken.

76. O Heer, U bent in Uw woord zeer nabij;
U schenkt door Uw geboden mij het leven:
alleen wat waar is openbaren zij.
Mij is uit Uw getuigenis gegeven,
al wat vanouds geleerd is en dat Gij
als eeuwig vast aan mij hebt voorgeschreven.

77. Heb oog voor mijn ellende, maak mij vrij,
want nooit zal ik Uw goede wet vergeten.
Zorg voor mijn recht en sta mij daarin bij;
dankbaar zal ik U dan mijn Redder heten.
Denk toch aan Uw belofte jegens mij,
doe mij getroost mijn leven veilig weten.

78. Aan bozen zal Uw heil geheel ontgaan;
U houdt dat ver van hen die U niet eren,
men neemt wat Gij hebt ingezet niet aan.
Heer, wil U in ontferming tot mij keren,
want die is groot en geef dat ik voortaan
te leven naar Uw heilig recht, mag leren.

79. Schoon velen mij vervolgen en weerstaan:
ik zal van Uw getuigenis niet wijken.
Met afschuw zie ik trouwelozen aan,
wier handen naar het kwade gretig reiken
en in hun hart, in heel hun boos bestaan
verachting voor Uw heilig woord doen blijken.

80. Zie hoe ik Uw bevelen zeer bemin;
geef mij naar Uw genade, Heer, nieuw leven.
Want heel Uw woord is trouw van het begin,
ten volle waar, geef mij daarvoor te beven.
Al wat Gij hebt verordend, is daarin
rechtvaardig en voor eeuwig mij gegeven.

81. Van vorsten zijn vervolgingen mijn deel,
maar ik beef met ontzag voor al Uw woorden.
Blijdschap en dank vervullen mij geheel
om al hetgeen mijn oren daaruit hoorden;
mij valt daarin een rijke schat ten deel,
U weet hoezeer die buit mijn hart bekoorde.

82. Ik heb bedrog en leugen steeds gehaat,
in liefde ben ik aan Uw wet verbonden.
Zeven maal daags wordt door mij vroeg en laat
tot U met dank een loflied opgezonden;
want wat in Uw verordeningen staat:
rechtvaardig is dat tot de diepste gronden.

83. Zij, die verknocht in liefde aan Uw wet
op U gericht zijn, hebben grote vrede;
vast is hun gang en zeker is hun tred,
geen struikelblok belemmert ooit hun schreden.
O Heer, op Uw heil hoop ik en ik zet
trouw op het pad van Uw gebod mijn treden.

84. Mijn liefde heb ik onverdeeld verpand
om altijd Uw getuigenis te eren,
om dat te doen staat heel mijn hart in brand;
wijsheid wil ik uit Uw bevelen leren.
Ik weet mijn doen en laten in Uw hand,
U kent mijn weg, U weet al mijn begeren.

85. Mijn noodkreet, Heer, zij dringe tot U door,
doe uit Uw woord recht inzicht mij bekomen.
Mijn smeking is tot U, geef mij gehoor;
niet tevergeefs hebt Gij mijn stem vernomen:
ik houd mijzelf steeds Uw belofte voor
dat Gij mij redt, de vijand zult betomen.

86. Als een fontein springt Uw lof uit mijn mond,
want Gij zult mij Uw inzettingen wijzen,
die ingezet zijn naar Uw vast verbond;
blij zal mijn tong Uw goede woorden prijzen.
Want wat Gij zegt is op het recht gegrond,
het spreekt al van Uw toezegging en eisen.

87. Reik mij Uw hand tot hulp en steun bereid,
want ik heb Uw bevelen mij verkoren.
Ja, ik verlang, o Heer, ben zeer verblijd
naar al het heil dat Gij mij hebt beschoren
en in Uw wet heb ik mijn vreugd altijd,
ik heb geheel mijn hart daaraan verloren.

88. Geef dat ik door U levensvreugd geniet
en dat ik, naar Uw voorschrift, U verhoge.
Zoals een schaap, dat pad nog herder ziet,
zo dwaalde ik, van Uw weg afgebogen.
Zoek toch Uw knecht die t rechte pad verliet,
voortdurend houd ik Uw gebod voor ogen.


Psalm 120
1. De Heer gaf mij in bange dagen
altijd verhoring op mijn klagen.
Heer, wil ook nu aan leugenlippen
en boos beraad mij doen ontglippen.
Tong vol verraad, wat baat uw honen?
Waarmee zal Hij uw leugens lonen?
Met scherpe pijlen van een held,
fel gloeiend bremstruik uit het veld.

2. Wee mij, die nergens rust kan vinden,
die wonen moet bij kwaadgezinden;
ik woon daar tussen ruwe mensen
die twistziek zijn en oorlog wensen.
Te lang woon ik, geheel verlaten,
bij lieden die de vrede haten;
en hoe ik ook voor vrede pleit,
zij zijn alleen maar uit op strijd.


Psalm 121
1. Ik zie de bergen om mij heen:
ik weet mij zwak en klein,
wie zal mijn helper zijn?
Mijn hulp is van de Heer alleen:
Hij schiep en Hij bewaarde
de hemel en de aarde.

2. Hij, uw Bewaarder, schraagt uw voet.
Zijn steun voorkomt uw val
daar Hij niet slapen zal.
Nee, Hij die Isral behoedt
zal sluimeren noch slapen;
Hij is uw schild en wapen.

3. De Heer is aan uw rechterhand
uw schaduw en Hij waakt
als u in nood geraakt.
U steekt de zon niet als zij brandt:
geen maan zal kunnen schaden
bij nacht op al uw paden.

4. Die u bewaart, het is de Heer.
Want Hij die met u gaat
weert van u alle kwaad.
De Heer beschermt u telkens weer;
staat altijd u terzijde
in gaan en komen beide.


Psalm122
1. Ik was verheugd toen men mij zei:
Maak u gereed en gord u aan,
laat ons naar t huis des Heeren gaan:
kom, ga met ons en doe als wij.
Jeruzalem, dat ik bemin,
nu treden wij uw poorten in;
wie hoorde nooit dit kunstwerk roemen?
Jeruzalem is hecht gebouwd;
ja, elk die deze stad aanschouwt,
zal haar de allerschoonste noemen.

2. Hier stromen s Heeren stammen saam,
zij trekken op naar Zijn bevel,
een voorschrift voor heel Isral
om blij te loven s Heeren naam.
Daar staan de zetels ten gericht
vanouds voor Davids huis gesticht;
onkreukbaar recht spreekt men daarbinnen.
O schone stad, gezegend oord,
vol van geluk gaan door uw poort,
wie u met heel hun hart beminnen.

3. Bidt n van zin met hart en stem,
dat wie haar muur en burchten mint,
rust binnen in haar vesting vindt;
vraagt vrede voor Jeruzalem.
Om vriend en broeder spreek ik nu:
Volkomen vrede zij in u,
groot en bestendig al uw dagen.
Om t huis van s Heeren heerlijkheid,
de woning, onze God gewijd,
wil ik voor u veel zegen vragen.


Psalm 123
1. Ik hef tot U, die in de hemel zit
mijn ogen op, ik bid.
Zoals een slaaf richt op zijn heer de ogen
en vraagt om mededogen;
t oog der slavin is op haar vrouw geslagen
om hulp of gunst te vragen,
zo is ons oog op God, de Heer, tot Hij
ons weer genadig zij.

2. Ontferm U toch, wees ons genadig, Heer,
toon ons Uw goedheid weer.
Wij zijn zo moe van al de boze woorden
die wij van spotters hoorden;
verachting heeft ons hart zo veel geleden,
wij zijn zo vaak vertreden
dat wij van smaad, van overmoed en pijn
meer dan verzadigd zijn.


Psalm 124
1. Laat Isral nu zeggen, blij van geest:
Indien de Heer, niet met ons was geweest,
indien de Heer, die ons heeft bijgestaan,
toen bruut geweld van mensen werd gevreesd
geen redding schonk, wij waren reeds vergaan.

2. Vast hadden zij ons, levend nog vernield;
hun hete toorn had ons gewis ontzield,
bedolven in een grondeloze vloed;
vast had een stroom, die niemand tegenhield,
ons overspoeld, had Hij het niet verhoed.

3. Lof zij de Heer, ja prijst Hem voor altijd:
toen t roofdier zich ten aanval had bereid,
heeft onze God het in Zijn sprong gestuit;
Zijn almacht heeft genadig ons bevrijd:
zo vielen wij hun tanden niet ten buit!

4. Ons leven werd ternauwernood gered
als uit een strik, voor vogels uitgezet:
die strik brak los en wij zijn vrij geraakt!
In s Heeren naam is hulp op ons gebed,
in Hem, die aard en hemel heeft gemaakt.


Psalm 125
1. Hij wankelt niet, zal nooit bezwijken
die op de Heer vertrouwt,
zijn leven op Hem bouwt;
zomin als Sions berg zal wijken,
die oprijst, vast en onbewogen,
voor ieders ogen.

2. De bergen zijn een sterke keten
die vast, van noord tot zuid,
Jeruzalem omsluit.
Zo veilig mogen wij ons weten
en zal de Heer, wat wij ook vrezen,
rondom ons wezen.

3. Geen schrikbewind zal staande blijven;
het goddeloos geweld
zal eens zijn uitgeteld.
God zal het van Zijn erf verdrijven,
opdat getrouwen niet hun handen
aan onrecht branden.

4. Doe goed, Heer, goeden en oprechten;
de Heer zal zeker slaan
die t rechte pad niet gaan;
met hen die aan het kwaad zich hechten.
Over heel Isral zij vrede!
Is onze bede.


Psalm 126
1. Toen God ons weer naar Sion bracht
uit ballingschap en lijdensnacht,
toen was het ons als droomden wij
en lachten weer, wij waren vrij.
Eertijds bevangen door verlangen
zong nu het volk zijn jubelzangen;
zelfs heidenvolken hieven aan:
Hun heeft de Heer iets groots gedaan.

2. Groot is wat voor ons aangezicht
de Heer bij ons nu heeft verricht.
Wij zien met grote blijdschap aan
welk machtig werk Hij heeft gedaan.
Maar, Heer, breng weer wie achterbleven,
laat hen met ons toch doen herleven,
zoals de toegestroomde vloed
de droge beek weer bruisen doet.

3. Wie tranen stort terwijl hij zaait,
juicht straks wanneer hij koren maait.
Wie zaaizaad in zijn buidel draagt,
die gaat al wenend voort en klaagt.
Maar ziet gij graan in t zonlicht blinken
dan juicht hij, zal zijn lied weerklinken;
dan keert de maaier blij terug
met volle schoven op zijn rug.


Psalm 127
1. Wanneer de Heer het huis niet bouwt,
zwoegt tevergeefs de mens daaraan.
Vergeefs zal daar de wachter staan,
als niet de Heer de stad behoudt.
Al wat de mens om handen heeft
mislukt als Hij geen zegen geeft.

2. Hoewel u slooft van vroeg tot laat,
vol zorg het brood der smarten eet
terwijl u van geen rusten weet,
toch brengt dit alles u geen baat.
t Is in de slaap, dat Hij het schenkt
hem die Hij liefheeft en gedenkt.

3. Weet, zonen zijn een mens tot vreugd;
zij zijn een erfdeel van de Heer;
een oudertrots, een grote eer
zijn hem de zonen uit zijn jeugd.
Zij zijn als pijlen van een held,
wiens daden men eervol vermeldt.

4. Gelukkig wie te rechter tijd
zijn koker vol met pijlen draagt.
Als hij daarmee wordt uitgedaagd,
aanvaardt hij zonder vrees de strijd.
Hem wacht geen schaamte in de poort;
zijn vijand staat hij fier te woord.


Psalm 128
1. Gelukkig zullen wezen
wie s Heeren wegen gaan.
Wie Hem van harte vrezen
schenkt Hij een rijk bestaan.
Want gij zult dankbaar eten
de opbrengst van uw hand.
U zult gezegend weten
uw huis en akkerland.

2. Ook zal uw vrouw zijn vruchtbaar
zoals een wijnstok is.
Als jong olijven zijn daar
uw zonen om uw dis.
Dit is de rijke zegen
die Hij de man bereidt,
die trouw op al zijn wegen
aan s Heeren dienst zich wijdt.

3. Zijn zegen moog u hoeden
uit Sion, stad van Hem,
opdat u ziet het goede
van Zijn Jeruzalem;
opdat nakomelingen
u zijn tot nieuwe vreugd
en Isral doen zingen
van vrede die verheugt.


Psalm 129
1. Hoe hebben zij van jongsaf mij benauwd,
zo kan terecht heel Isral wel spreken
zij hebben mij van jongsaf zeer benauwd,
maar niet vernield, mijn kracht niet kunnen breken.

2. Door ploegers werd mijn rug doorgroefd, zeer wreed,
lang trokken zij hun voren die mij wondden.
De Heer, die zo rechtvaardig is, Hij sneed
de touwen door waar bozen mij mee bonden.

3. Vol schaamte deinst elk af die Sion haat;
ze zijn als gras dat groeit op vele daken.
Dat snel verdort, geen mens aan werken gaat,
dat in de oogst geen maaier aan zal raken.

4. Geen binder maakt daarvan ooit schoven meer,
niet n van wie voorbijgaat zal hem eren.
Nooit klinkt hun groet: U zegene de Heer,
wij zegenen u in de naam des Heeren.


Psalm 130
1. Uit diepten van ellende
roep ik tot U, o Heer;
wil U toch tot mij wenden,
ik buig mij voor U neer.
Heer, neig tot mij Uw oren,
merk op mijn luide klacht.
Wil naar mijn smeking horen,
ontferm U, ik versmacht.

2. Als U ons overtreden,
o Heer, blijft gadeslaan,
die ongerechtigheden
Heer, wie zal dan bestaan?
Maar rijk wilt Gij vergeven,
vanouds is dat geweest,
opdat Gij in ons leven
eerbiedig wordt gevreesd.

3. Ik blijf de Heer verwachten,
vast hoop ik op Zijn woord.
Ik wacht in al mijn klachten,
tot Hij mijn smeken hoort.
Want boordevol van zorgen,
wacht ik meer op de Heer,
dan wachters op de morgen,
de morgen, ach wanneer?

4. Laat op de Heer steeds hopen,
Zijn Isral in nood.
Gods vaderhart staat open,
Zijn redding is zeer groot.
De Heer maakt op hun beden,
zelf Isral weer vrij
van ongerechtigheden.
Hun Redder, dat is Hij!


Psalm131
1. O Heer, er is geen trots in mij,
ik houd mijn hart van hoogmoed vrij;
ik zoek niet met een waanwijs oog
naar dingen voor mij veel te hoog.

2. Nee, ik zoek nu niet meer naar macht,
want Gij hebt mij tot rust gebracht;
zoals het pas verzadigd kind
zich stil in moeders armen vindt.

3. Zo wil de Heer dat Isral
zal hopen op Gods wijs bevel;
zodat het nu en voor altijd
mag rusten in Zijn wijs beleid.


Psalm 132
1. O Heer, gedenk aan Davids leed,
hoe hij de Heer gelofte deed,
houd in gedachtenis zijn eed,
voor Jakobs Held eens afgelegd
en wat hij Hem heeft toegezegd:

2. Voorwaar, mijn tent zie ik niet weer,
geen slaap gun ik mijn ogen meer,
tot ik een plaats vind voor de Heer,
een woning door mij toebedacht
aan Jakobs God, zeer groot in macht.

3. In Efrata werd ons verteld
waar men de ark had opgesteld.
Wij vonden haar in Jars veld.
Laat ons Zijn woning binnengaan
en knielen waar Zijn troon zal staan.

4. Sta op, o Heer en toon Uw macht.
Uw ark, de zetel van Uw kracht,
zij in Uw huis tot rust gebracht.
Bekleed met recht Uw priesters, Heer,
laat vromen juichen U tot eer.

5. Als Gij Uw knecht nu voor U ziet,
die U voor ons eens zalven liet
verwerp hem dan om David niet.
De Heer zwoer dat uw eigen zoon
zal zitten op uw koningstroon.

6. Indien uw zoons, uw nageslacht
op Mijn bevelen geven acht,
blijft Mijn verbond bij hen van kracht;
dan zal ook steeds een eigen zoon
gezeten zijn op Davids troon.

7. Want Sion is door God vereerd,
tot woning door de Heer begeerd;
zo sprak Hij, die het al regeert:
Daar Ik die stad voor Mij verkoos,
wil Ik hier rusten voor altoos.

8. Mijn volk heeft het hier altijd goed,
hier worden armen rijk gevoed,
Mijn zegen schenkt hier overvloed,
waar priesters staan met heil bekleed,
bij t volk dat juichend voor Mij treedt.

9. Want Ik zal David door Mijn kracht
een zoon van redding, eer en macht
doen rijzen uit zijn nageslacht.
Ik heb Mijn knecht een lamp bereid,
zijn licht zal stralen voor altijd.

10. Met schaamte laat ik ondergaan,
hen allen die Mijn knecht weerstaan.
Maar Davids troon zal veilig staan
en blinken zal de koningskroon
op t hoofd van zijn gezalfde zoon.


Psalm133
1. Hoe liefelijk, hoe goed het samenwonen
van broeders die oprecht gemeenschap tonen,
die eensgezind vergaderd zijn.
t Is kostelijk als zalf die heerlijk rein
Arons hoofd de zoetste geuren schenkt,
zijn baard en ambtsgewaad doordrenkt.

2. Het is als dauw die daalt van Hermons flanken
op heuvels van de Sion, vol met ranken,
waar alles van de zegen zingt
waarmee de Heer met gunst Zijn volk omringt;
want Sion is de bron die laaft en voedt,
die leven wekt, rijk leven doet.


Psalm 134
1. Komt allen, dienaars van de Heer
en brengt Hem in Zijn tempel eer,
die in des Heeren huis bij nacht,
daar staat als Zijn getrouwe wacht.

2. Heft hart en handen naar omhoog,
richt op het heiligdom uw oog;
brengt uit des Heeren tempelhof
aan Hem uw dank, uw lied vol lof.

3. De Heer die t al geschapen heeft:
hemel en aarde al wat leeft,
Hij schenke u uit Zijn paleis,
uit Sion, zegen op uw reis.


Psalm 135
1. Halleluja, looft de Heer,
gij die s Heeren knechten zijt.
Geeft Hem in Zijn tempel eer,
wie de Heer is toegewijd;
gij die staat naar Zijn gebod
in het huis van onze God.

2. Looft de Heer, want Hij is goed.
Zingt Hem psalmen bij de luit.
Liefelijk is wat Hij doet,
want Hij koos zich Jakob uit;
Isral ten eigendom
uit de volkeren rondom.

3. Ik ken s Heeren grote kracht,
die geen god naast zich verdraagt.
Sterk is onze Heer in macht
en Hij doet wat Hem behaagt.
Soeverein beheerst de Heer
hemel, aarde, zee en meer.

4. Hij voert van de einder aan
damp en wolken als Hij spreekt.
Hij maakt voor de bliksem baan
die de regenstroom doorbreekt.
Stormen komen op Zijn woord
uit Zijn voorraadkamers voort.

5. Hij sloeg van Egypte neer
eerstgeboornen, mens en beest.
Hij deed wonderen weleer
en Egypte was bevreesd.
Hij die met Zijn plagen trof
Farao met heel zijn hof.

6. Hij sloeg volken met de ban;
Og en Sihon velde Hij.
Ieder rijk in Kanan
toonde Hij Zijn heerschappij.
Hij gaf Isral hun land
tot een erfdeel uit Zijn hand.

7. Heer, Uw naam die heerlijk is
zal in eeuwigheid bestaan.
Nooit zal Uw gedachtenis
bij het nageslacht vergaan.
Want de Heer doet Zijn volk recht,
schenkt ontferming aan Zijn knecht.

8. Goden naar der volken wens
zijn van zilver of van goud;
ze zijn maaksel van de mens,
waar men zich aan toevertrouwt.
Nimmer spreekt hun mond een woord;
met hun oor wordt niets gehoord.

9. Weet: hun ogen missen licht,
ook geen adem in hun mond;
niets wordt ooit door hen verricht;
geen die bij hen redding vond.
Wie een beeld maakt van zon god,
deelt met hem hetzelfde lot.

10. Looft, gij Isral, de Heer;
prijst Aron, s Heeren naam.
Gij levieten, geeft Hem eer,
Sions vromen allen saam.
Halleluja, zegent Hem,
die woont in Jeruzalem.


Psalm 136
1. Looft de Heer, want Hij is goed,
trouw in alles wat Hij doet:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

2. Geeft de God der goden eer,
looft Hem, aller heren Heer:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

3. Grote wonderen alleen
doet Hij door de eeuwen heen:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

4. Wijs bracht Hij de hemel voort,
zij kwam op Zijn scheppend woord:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

5. Hij bereidde zee en land,
altijd houdt Hij die in stand:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

6. Die de grote lichten schiep,
zon en maan tot aanzijn riep:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

7. Die de zon door Zijn gezag
heerschappij gaf overdag:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

8. Om te heersen in de nacht
gaf Hij maan en sterren macht:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

9. In Egypte sloeg weleer
Hij hun eerstgeboornen neer:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

10. Die met macht en majesteit,
Isral heeft uitgeleid:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

11. Hij wiens woord de Schelfzee spleet
en dit water wijken deed:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

12. Hij gaf Isral vrij baan
om daar droogvoets door te gaan:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

13. Farao met legermacht,
in die zee heeft omgebracht:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

14. Die Zijn volk toen trekken deed
door woestijnen, dor en heet:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

15. Hij die grote vorsten sloeg,
Zijn volk voorging en hen droeg:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

16. Vorsten, machtig groot in kracht,
zijn door Hem ter dood gebracht:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

17. Die der Amorieten held,
die vorst Sihon heeft geveld:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

18. Og van Basan, machtig groot,
heeft Hij door het zwaard gedood:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

19. Hij heeft Isral, Zijn knecht,
al hun landen toegezegd:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

20. Die aan ons, zo diep veracht,
in Zijn goedheid heeft gedacht:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

21. Ons, door vijanden verdrukt,
heeft Hij aan hun hand ontrukt:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

22. Die verzadigt al wat leeft,
mens en dier hun voedsel geeft:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.

23. Brengt de God des hemels eer;
looft Hem, buigt voor Hem u neer:
Zijn genade kent geen tijd
zij is tot in eeuwigheid.


Psalm137
1. Wij zaten neer als balling aan de zomen
van Babylons wijd uitgestrekte stromen.
Omhoog steeg daar een sprakeloze klacht,
elk weende toen, als hij aan Sion dacht
en ging zijn harp, gepijnigd door verlangen,
toen moedeloos daar aan de wilgen hangen.

2. Want daar dwong men gevangen als wij waren
ons tot een lied: Speel nog eens op de snaren,
laat horen hoe een lied van Sion klinkt.
Hoe zouden wij, mishandeld en verminkt,
op vreemde grond een lied des Heeren zingen
tot leedvermaak van hen die ons omringen?

3. Jeruzalem, zou ik u ooit vergeten,
mijn rechterhand mag nooit van spel meer weten,
mijn spraak mag dan verstommen in mijn mond,
als ik u niet gedenk op deze grond.
Jeruzalem, o Godsstad, nooit volprezen,
u zult altijd mijn hoogste vreugde wezen.

4. O Heer, vergeld aan Edoms wrede zonen
dat zij ons toen met opzet kwamen honen
ten dage van ons allerzwaarste lot.
Hoe werd door hen Jeruzalem bespot:
Breekt af die stad, aan puin moet zij geslagen!
Hoe wreed heeft zich dit broedervolk misdragen.

5. Gij Babylon, de wraak zal u verslinden,
dan zult ook gij geen medelijden vinden.
Gelukkig hij die alles u vergeldt,
wat gij aan ons misdeedt door uw geweld;
welzalig wie dan wraak neemt, o gij trotsen,
uw kindren grijpt, verplettert op de rotsen.


Psalm 138
1. Met heel mijn hart zal ik vol vreugd,
in U verheugd,
U dank bewijzen.
Met blijdschap hef ik psalmen aan,
waar goden staan
zal ik U prijzen.
Ik buig mij naar Uw tempel neer
en geef U eer
voor aller ogen.
Omdat Uw gunst en trouw mij leidt,
zal ik verblijd
Uw naam verhogen.

2. U hebt betoond: Mijn woord is waar
en wonderbaar
Uw naam verheven.
Op mijn geroep hebt Gij gehoord;
mij heeft Uw woord
weer kracht gegeven.
Vorsten der aarde zullen Heer,
aan U hun eer
en lof bewijzen;
omdat U trouw bent aan Uw woord
door hen gehoord,
Uw grootheid prijzen.

3. Ja, elke vorst zingt dan voor Hem
met blijde stem
van s Heeren wegen.
Groot is de Heer vol heerlijkheid,
Zijn majesteit
Gods volk tot zegen.
Hij ziet, al troont Hij hemelhoog,
wie voor zijn oog
in ootmoed leven;
maar kent van ver wie Hem weerstaan,
vol eigenwaan
Zijn wil weerstreven.

4. Als ik door angst word overstelpt,
komt Gij en helpt,
U spaart mijn leven.
Wanneer mijn vijands toorn ontbrandt
Uw rechterhand
zal redding geven.
Zijn heil voltooit de Heer voor mij:
Hij stond mij bij
in al mijn jaren.
Laat Heer Gij die in eeuwigheid
goedgunstig zijt
Uw werk niet varen.


Psalm 139
1. U, Heer, die mij doorgrondt en kent,
weet waarheen ik mij keer of wend.
U kent mijn zitten en mijn staan;
mijn liggen keurt Gij en mijn gaan.
U kent van ver al mijn beraden
en bent vertrouwd met al mijn paden.

2. Want van mijn lippen komt geen woord
of, Heer, U hebt het reeds gehoord.
U legt in trouw op mij Uw hand,
omgeeft mij steeds aan alle kant.
Te wonderbaar en te verheven
is dit voor mijn begrip gebleven.

3. Hoe zou ik ooit Uw Geest ontgaan,
waar zou U mij niet gadeslaan?
Steeg ik ten hemel U bent daar,
mijn weg is voor U openbaar;
al zou ik bij de doden dalen,
ook daar zou U mij achterhalen.

4. Al nam ik van de dageraad
ook vleugels op mijn vlucht te baat,
Uw hand ging ook daar met mij mee,
al streek ik neer aan t eind der zee.
Uw rechterhand zou mij geleiden;
U hield mij vast, stond aan mijn zijde.

5. Indien ik bij mijzelf al zei:
De duisternis bedekke mij,
dan is het donker om mij licht;
geen nacht verbergt voor Uw gezicht.
Voor U is zelfs het diepste duister
de dag gelijk in glans en luister.

6. U bent zeer wondervol en groot,
U vormde mij in moeders schoot;
als een borduurwerk, schoon en teer,
lag ik als ragfijn weefsel neer.
U loof ik om Uw wonderwerken,
die ik aanbiddend op mag merken.

7. U zag mijn vormeloos begin,
van mijn bestaan wist Gij de zin,
toen ik verborgen ben ontstaan,
als uit het stof kom ik vandaan.
U had mijn dagen opgeschreven
reeds voor de aanvang van mijn leven.

8. Hoe kostelijk, o God, hoe hoog
zijn Uw gedachten in mijn oog.
Ontelbaar zijn ze, meer dan zand,
onpeilbaar voor mijn klein verstand.
Ontwaak ik: U wilt aan mij denken,
nog Uw nabijheid aan mij schenken.

9. Laat goddelozen door Uw macht,
o God, toch worden omgebracht:
ik duld in mijn omgeving niet
wie U onteert en bloed vergiet.
Zij tergen U door al hun zonden:
Uw naam is leugen in hun monden.

10. Zou ik niet haten, wie U haat,
vol afschuw zien, wie U weerstaat?
Ik gruw van hen, sta nooit hun bij,
want vijanden zijn ze voor mij.
Wie U trotseert en heeft verlaten,
zal ik om U volkomen haten.

11. O God, doorgrond mij, ken mijn hart,
is daarin zonde die U smart?
Toets mij en hoor al wat ik zeg;
keur wat ik denk en overleg;
zou ik een heilloos pad betreden,
leid dan op t eeuwig spoor mijn schreden.


Psalm 140
1. O Heer, red mij van slechte mannen,
van mensen vol geweld en nijd.
Hun hart beraamt steeds boze plannen;
zij zinnen heel de dag op strijd.

2. Scherp is hun tong als die van slangen,
die onder t gras verborgen zijn.
Zij loeren listig op mijn gangen;
als adders spuiten zij venijn.

3. Behoed mij voor de goddelozen,
o Heer, voor mannen van geweld;
langs al mijn paden zijn door bozen
verborgen strikken opgesteld.

4. Ik zeg: O Heer, hoor naar mijn smeken,
let, Heer mijn God, op mijn gebed.
Want U bent steeds mijn heil gebleken,
mijn sterke helper, die mij redt.

5. Heer, die mijn hoofd beschermt in t strijden,
verstoor het goddeloos beraad.
Wil uit hun handen mij bevrijden,
voordat zij komen tot de daad.

6. De laster van wie mij bevlekken,
waardoor men mij mijn eer ontrooft,
die moge hen geheel bedekken;
stort vuur van kolen op hun hoofd.

7. Hij doe in vuur en kuilen dalen
wie lasteren, geweld begaan.
Laat onheil snel hen achterhalen,
opdat zij uit het land vergaan.

8. Ik weet: de Heer zal t pleit beslechten,
aan armen recht doen in t gericht.
U loven stellig de oprechten,
zij wonen voor Uw aangezicht.


Psalm141
1. Heer, U roep ik aan in mijn smeken,
kom haastig naar mij toe en red;
merk op mijn stem, hoor mijn gebed
en laat Uw hulp mij niet ontbreken.

2. Mijn gebed, met smekende handen
sta voor Uw heilig aangezicht
als reukwerk voor U toegericht,
als offers, die bij avond branden.

3. Laat, o Heer, mijn tong zich bedwingen,
zet voor mijn lippen zelf een wacht,
opdat mijn mond niet onbedacht
een zondig woord zich laat ontwringen.

4. Wil mijn hart voor zonde bewaren,
voor hem die mij tot kwaad verleidt
en mij zijn ongerechtigheid
als lekkernij wil doen ervaren.

5. Liefde is het, zo vele keren
mij een rechtvaardige kastijdt;
zalfolie is t, die geur verspreidt;
ik zal die van mijn hoofd niet weren.

6. Mijn gebed rijst zelfs nog voor dezen
die kwaad bedrijven, hard en trots.
Wierp men hun rechters van de rots,
toch zou mijn woord nog lieflijk wezen.

7. Als doorploegde grond is ons leven,
gescheurd, verdeeld van klomp en kluit;
zo strooit men ons gebeente uit,
niet eens het graf ten prooi gegeven.

8. Doch op U, o Heer, zien mijn ogen,
ik schuil bij U in mijn verdriet;
ontneem mij toch mijn leven niet;
help mij, schenk mij Uw mededogen.

9. Hoed mij voor de strik die zij spannen;
ik word van alle kant belaagd.
Hun boosheid worde U geklaagd:
hoe goddeloos zijn deze mannen.

10. Laat in doodsnood hen allen zuchten,
in eigen kuil ten ondergaan,
wie goddeloos U trots weerstaan,
terwijl ik veilig mag ontvluchten.


Psalm 142
1. Ik smeek de Heer met luide stem,
ik roep en schrei vol angst tot Hem;
ik klaag Hem al mijn harteleed
opdat Hij mijn benauwdheid weet.

2. Wanneer mijn geest in mij versmacht:
U kent mijn pad, weet wat mij wacht.
Men zet een valstrik op mijn weg;
boosaardig is hun overleg.

3. Als ik naar rechts mijn ogen wend,
dan zie ik niemand die mij kent:
geen toevlucht waardoor uitkomst daagt;
er is geen mens die naar mij vraagt.

4. Ik roep tot U en zeg: O Heer,
U bent mijn schuilplaats, schild en eer.
U blijft mijn deel en erfenis,
bij wie mijn leven veilig is.

5. Sla gunstig op mijn smeken acht;
ik ben zeer zwak, hoor naar mijn klacht.
Maak mij van mijn vervolgers vrij,
want veel te sterk zijn zij voor mij.

6. Voer mij uit mijn gevangenis,
Uw naam tot eer, die heilig is.
Als U mij wel doet, loof ik saam
met het rechtvaardig volk Uw naam.


Psalm 143
1. O Heer, neig toch tot mij Uw oren,
wil naar mijn smeekgebeden horen,
verhoor in Uw goedgunstigheid.
Toon mij Uw trouw zoals tevoren;
antwoord naar Uw gerechtigheid.

2. Ach, wil Uw knecht door schuld verslagen,
toch voor Uw rechterstoel niet dagen,
want niemand is in dat gericht,
waarin zijn hart hem aan moet klagen,
rechtvaardig voor Uw aangezicht.

3. Want weet, de vijand zoekt mijn leven;
doet mij ontsteld, door onmacht beven,
hij brengt mij aan de dood nabij,
met duister heeft hij mij omgeven,
zodat mijn geest versmacht in mij.

4. Wanneer ik denk in al mijn lijden,
aan wat Gij deed in vroeger tijden,
strek ik tot U mijn handen uit.
Ik smacht naar U als droge weiden,
als dor, naar regen dorstend kruid.

5. O Heer, haast U, hoor naar mijn smeken;
laat mij Uw antwoord niet ontbreken;
wend niet van mij Uw ogen af.
Laat mij niet zijn als wie bezweken,
die dalen in het donker graf.

6. Laat Uw goedgunstigheid mij horen
zodra het morgenlicht gaat gloren.
Alleen op U is t dat ik bouw.
Wijs U mij dan de rechte sporen,
omdat ik U mij toevertrouw.

7. Heer, red mij van wie mij belagen.
Leer mij Uw wil doen, Uw behagen.
Mijn God, mijn toevlucht, vat mijn hand.
Wil door Uw goede Geest mij schragen
en leiden in een effen land.

8. O Heer, spaar om Uw naam mijn leven;
wil uit mijn angsten redding geven;
wees mij genadig, doe mij recht.
Delg allen uit die mij weerstreven
en help mij, want ik ben Uw knecht.


Psalm 144
1. De Heer, mijn rots, wil ik mijn lofzang wijden;
Hem die mijn hand bekwaam maakt om te strijden;
die tot de krijg mijn vingers vaardig maakt,
mijn vesting die mij in Zijn gunst bewaakt.
Mijn burcht en mijn bevrijder zal Hij blijken,
mijn schild is Hij, om veilig uit te wijken.
Hij is het die aan mij de zege geeft,
die volken aan mij onderworpen heeft.

2. Wat is de mens, dat Gij hem wilt gedenken,
Uw aandacht, Heer, aan t mensenkind wilt schenken?
Want hij vliegt als een ademtocht snel heen,
als schaduw die vlug langsgleed en verdween.
O Heer, daal tot ons, doe de bergen roken
en laat Uw vuur mijn vijanden bestoken.
Werp in Uw toorn hen in verwarring neer,
verschrik, verstrooi daardoor de vijand zeer.

3. Wil van omhoog Uw sterke hand mij reiken
en grijp mij vast, laat mij toch niet bezwijken.
O, red mij uit die woeste watervloed,
van vreemde macht, die mij zo beven doet.
Laat mij niet voor die heidenvolken bukken,
wil haastig aan hun handen mij ontrukken;
want leugen spreekt hun mond die zoekt naar twist,
hun rechterhand smeedt sluw bedrog en list.

4. O God, U wil ik met een nieuw lied danken,
met psalmgezang bij harp- en citerklanken;
die koningen tot overwinning leidt,
David, Uw knecht, van t moordend zwaard bevrijdt.
Wil uit de hand van vreemden mij ontrukken;
maak mij toch vrij, laat nooit het plan gelukken
van hen wier mond alleen de leugen spreekt,
wier rechterhand liegt en de eed verbreekt.

5. Als planten die zich hoog gegroeid vertonen,
zo worde door Uw zegen onze zonen;
laat dochters van ons zijn als beeldhouwwerk
voor een paleis, hoekzuilen, slank en sterk.
Laat boordevol zijn onze voorraadschuren
en over ons Uw zegeningen duren.
Maak vruchtbaar al ons kleinvee in de wei
en voeg nog veel tienduizenden daarbij.

6. Laat rundvee van ons dragen naar behoren,
geen angstgeschreeuw mag ooit ons plein verstoren.
Geen vijand breek een bres in wal of muur
geen vluchteling verbeidd het schemeruur.
Ja, ieder zal het volk gelukkig noemen
dat zich op zulk een voorspoed mag beroemen.
Volk van geluk, uw vrede komt gewis,
wanneer uw God alleen de Heer steeds is!


Psalm 145
1. Aan U, mijn God, die aller Koning zijt,
is al mijn lof en dank alleen gewijd.
Ik zal Uw naam, Uw glorie dag aan dag
mijn leven lang vereren met ontzag.
Groot is de Heer, Hem moet men zeer hoog prijzen,
geen mens kan Hem naar waarde eer bewijzen.
Ja, elk geslacht zal steeds Uw werken roemen,
alom met lof Uw grote daden noemen.

2. Ook ik vertel Uw wonderen altijd,
de luister van Uw grote majesteit.
Uw werken roemt men en Uw grote macht
en ik vermeld ook Uw geduchte kracht.
Elk maakt bekend Uw goedheid hoog te loven,
Uw grootheid gaat ver ons begrip te boven;
dankbaar zal men om al Uw werken juichen,
met vreugd van Uw gerechtigheid getuigen.

3. Genadig en barmhartig is de Heer,
Hij ziet op ons altijd goedgunstig neer.
De Heer is mild, voor allen is Hij goed;
ontferming spreekt uit alles wat Hij doet.
Uw ganse werk, Heer, zal U eer bewijzen;
U zullen al Uw gunstgenoten prijzen.
Zij zullen van Uw koningschap gewagen
om overal Uw glorie uit te dragen.

4. Zijn machtig werk wordt zo aan elk die leeft
verkondigd door wie eerbied daarvoor heeft.
Zo toont alom Zijn koningschap met macht
de luister van zijn heerlijkheid en pracht.
Uw koningschap houdt stand door alle tijden,
zijn glans zal het de eeuwen door verspreiden.
Groot is Uw rijk, geweldig zijn Uw krachten,
Uw heerschappij blijft over de geslachten.

5. De Heer richt op wie struikelen in smart,
Hij troost en sterkt het neergebogen hart.
Ook wacht op U het oog van al wat leeft
daar U op tijd aan elk zijn voedsel geeft.
Dan opent Gij Uw hand met welbehagen,
Uw goedheid schenkt meer dan ze kunnen vragen;
trouw is de Heer, rechtvaardig in Zijn wegen
en Hij komt ons met Zijn genade tegen.

6. De Heer is wie Hem aanroept zeer nabij;
al wie oprecht Hem aanroept, antwoordt Hij.
De wens geeft Hij van ieder die Hem vreest,
van wie in nood Hij Redder is geweest.
Hen spaart de Heer die Hem hun liefde geven,
maar Hij delgt uit al wie Hem boos weerstreven.
Zo spreekt mijn mond steeds van de lof des Heeren,
Zijn heilge naam zal al wat leeft vereren.


Psalm 146
1. Looft en prijst de naam des Heeren;
ik zing van Hem in mijn lied.
k Zal de Heer met lofzang eren
zolang ik het licht geniet.
Lof geef ik mijn leven lang
Hem, mijn God, in psalmgezang.

2. Wilt op vorsten niet vertrouwen,
hoe in aanzien om hun staat;
wilt toch op een mens niet bouwen:
als zijn adem uit hem gaat,
keert hij tot zijn aarde weer
en zijn plannen zijn niet meer.

3. Zalig hij, die heel zijn leven
Jakobs God als helper kent.
Hij die door de nood gedreven,
zich tot Hem om redding wendt;
die, in alles wat benauwt
God, zijn Heer zich toevertrouwt.

4. Hij is t die eens aard en hemel
als een prachtig sieraad schiep,
die de zee met haar gewemel
door Zijn wil tot aanzijn riep;
die in eer en majesteit
trouw houdt tot in eeuwigheid.

5. Hij die recht doet aan verdrukten,
geeft brood aan wie honger lijdt.
Zij die in hun boeien bukten,
worden door de Heer bevrijd.
Hij geeft blinden het gezicht,
richt op, wie gebogen ligt.

6. Hij heeft lief wie op Zijn weg gaan,
de Heer die ontheemden hoedt;
wees en weduwe wil bijstaan
wanneer men hen onrecht doet.
Maar wie boos zijn komen om,
want Hij maakt hun wegen krom.

7. De Heer is voor eeuwig Koning,
die voor altijd heerst met macht.
Hij regeert vanuit Zijn woning
tot in t allerverst geslacht.
Sion, zing uw God tot eer:
Halleluja, loof de Heer.


Psalm147
1. Wilt aan de Heer uw eer bewijzen,
want goed is t onze God te prijzen;
het past met psalmen Hem te loven
om al Zijn rijke gunst van boven.
Nu wil de Heer Zijn stad aanschouwen
en aan Jeruzalem steeds bouwen.
Zijn Isral doet Hij herleven,
Hij brengt bijeen wie zijn verdreven.

2. Hij heelt het hart door leed geschonden
en Hij verbindt geslagen wonden.
Hij telt de sterren al tezamen,
Hij roept ze alle bij hun namen.
Groot is de Heer en sterk van krachten,
geen grens beperkt ooit Zijn gedachten.
Hij zal ootmoedigen bewaren,
maar goddelozen nimmer sparen.

3. Psalmzingt de Heer en wilt Hem danken,
prijst onze God bij citerklanken.
Komt, laat ons blij de roem vertolken
van Wie de hemel dekt met wolken.
Hij doet op aarde regen vloeien,
zelfs jong gras op de bergen groeien.
Hij voedt het vee en wil het laven,
hoort naar de roep van jonge raven.

4. Hij heeft geen lust in kracht van paarden,
voor Hem heeft mensenkracht geen waarde;
hij die vertrouwt op eigen krachten,
hoeft van Hem nooit geen hulp te wachten.
De Heer heeft veeleer welbehagen
in wie Hem vrezen, naar Hem vragen;
die, hoe het ook mag tegenlopen,
alleen op Zijn genade hopen.

5. Jeruzalem, wilt uw God prijzen,
de Heer, gij Sion eer bewijzen.
Want Hij wil hecht uw stad versterken;
onneembaar zijn uw vestingwerken.
Daarbinnen zegent Hij uw zonen,
doet Hij Zijn volk in vrede wonen.
Hij wil geheel het land behoeden,
u met de beste tarwe voeden.

6. Hij zendt op aarde Zijn bevelen,
snel loopt Zijn woord door al haar delen;
Hij laat als wol de sneeuw daar vallen,
als witte as de rijpkristallen.
Hij striemt met hagel veld en bomen;
Zijn kou stremt zelfs de sterkste stromen.
Hij zendt Zijn woord en breekt hun boeien,
Zijn wind waait en de beken vloeien.

7. Aan Jakob gaf Hij goede wetten
opdat zij daarop zouden letten;
aan Isral al Zijn bevelen,
Zijn woord wou Hij hun mededelen.
Zijn rechten en getuigenissen
die moesten andre volken missen.
O, laat uw halleluja rijzen,
Zijn naam die wondergroot is prijzen.


Psalm 148
1. Geeft in de hemel Gode eer
gij engelen en looft de Heer.
Looft Hem die in de hoge woont,
prijst Hem die op Zijn zetel troont.
Ja, roemt Hem alle hemelmachten,
u die Hem dient met al uw krachten.
Looft zon en maan, Hem die u schiep,
prijst sterrenlichten, wie u riep.

2. Looft, hoogste hemel, prijst Zijn naam
met heel de wolkenhemel saam.
Die wolken zijn daar uitgespreid
ter ere van Zijn heerlijkheid.
Dat alles dan de grootheid ere
van Hem, die altijd blijft regeren.
Zijn schepping houdt zich aan de wet,
die Hij voor haar heeft ingezet.

3. Gij zeen, aarde, looft de Heer,
brengt, watermonsters, Hem de eer.
Gij sneeuw en hagel, damp en gloed,
gij storm, die Zijn bevelen doet.
Gij heuvels, bergen met uw stromen
en alle vrucht en cederbomen.
Gij wilde dieren, al het vee,
wat kruipt of vliegt, juicht met hen mee.

4. Juicht, vorsten, voor Zijn aangezicht,
gij allen die op aarde richt.
Gij volken van het wereldrond,
looft Hem tezaam als uit n mond.
Prijst alle koningen der aarde
Hem, die zich scheppend openbaarde.
Prijst jongens, meisjes ook de Heer,
brengt jong en oud Hem juichend eer.

5. Gij hemel, aarde, looft tezaam
des Heeren hoog verheven naam.
De luister van Zijn majesteit
ligt over alles uitgespreid.
Hij heeft Zijn volk in eer verheven,
Zijn Isral weer kracht gegeven;
dit volk is steeds nabij de Heer,
gij gunstgenoten, geeft Hem eer.


Psalm 149
1. Halleluja, zingt nieuwe wijzen,
wilt God in Zijn gemeente prijzen;
laat s Heeren lof ten hemel rijzen
om al Zijn gunstbewijzen.
Isral, geef uw Maker eer,
Sion juich: Koning is de Heer;
dans op uw psalm met blij refrein
bij luit en tamboerijn.

2. Want Hij heeft in Zijn volk behagen,
doet wie verdrukt zijn, kronen dragen,
dat zij nu van Zijn heil gewagen
bij nachten en bij dagen.
In hun God zijn ze dan verblijd,
roemen Hem, tot Zijn dienst bereid:
hun hand die nu geen vijand spaart,
heft een tweesnijdend zwaard.

3. Dan zal de Heer door Zijn beminden
de volken wraak doen ondervinden,
hun koningen met boeien binden,
het kwaad zal Hij verslinden.
Naar het recht, al zo lang voorspeld,
rijst de dag dat het vonnis geldt;
de glorie van Gods volk keert weer:
geprezen zij de Heer.


Psalm 150
1. Looft God, looft Zijn naam alom,
looft Hem in Zijn heiligdom;
looft Hem in Zijn firmament,
maakt Zijn machtig werk bekend.
Looft Hem om Zijn groots regeren,
looft Hem met bazuingeschal,
ook moet klinken overal
harp en citer, God tot ere.

2. Looft Hem met de tamboerijn,
looft Hem, laat er reidans zijn;
looft Hem, spelend op de fluit,
looft Hem, roept Zijn glorie uit.
Looft Hem met de klank van snaren,
geeft met cymbelspel God eer,
looft, wat adem heeft de Heer,
alles juiche: Halleluja!


Gezang 1
De Tien Woorden.

1. Gedenk, o volk, met heilig beven,
hoe God, met majesteit bekleed,
Zijn wet op Horeb heeft gegeven
en Zijn Tien Woorden horen deed:

2. Ik ben de Heer, die als uw Koning
u uit Egypte heb geleid.
Ik riep u uit uw slavenwoning,
Mijn sterke arm heeft u bevrijd.

3. Vertrouw op Mij in al uw noden,
uw hart alleen op Mij gericht.
Geef nooit Mijn eer aan andre goden,
leef heilig voor Mijn aangezicht.

4. Voor beeldendienst zult gij u wachten,
Ik duld geen eigenwilligheid.
Ik straf dat kwaad in de geslachten,
maar zegen uw gehoorzaamheid.

5. U zult van God niet ijdel spreken,
gebruik Zijn naam in heiligheid.
Onheilig zweren zal Hij wreken.
Gelukkig wie de Heer belijdt.

6. Gedenk bij t werk, u opgedragen,
de sabbat, aan de Heer gewijd:
God schiep de wereld in zes dagen
en heeft Zich in Zijn werk verblijd.

7. U zult uw ouders eer betonen,
opdat uw Heer, die eeuwig leeft,
u vele dagen zal doen wonen
in t land dat Hij, uw God, u geeft.

8. U zult niet doodslaan en niet haten
de mens, die God geschapen heeft.
Nooit mag de liefde u verlaten.
Doe goed aan hem die naast u leeft.

9. U zult het huwlijk niet verbreken,
leef niet onkuis, maar houd u rein.
Wees ingetogen in uw spreken:
U zult de Heer geheiligd zijn.

10. Ook is t bezit, door u verkregen,
van Hem, die u dat toevertrouwt.
U zult bedrog noch diefstal plegen,
Mijn is het zilver en het goud.

11. U zult geen vals getuignis spreken,
weer van uw naaste smaad en leed.
God zal de lage laster wreken,
Zijn toorn treft hem die leugens smeedt.

12. Uw hart zal nimmer iets begeren
van al wat van uw naaste is.
Al Gods geboden zult gij eren
en houden Zijn getuigenis.

13. Geef dat wij trouw Uw wet betrachten.
Gedenk ons in barmhartigheid.
Schenk ons in Christus nieuwe krachten
tot liefdedienst uit dankbaarheid.


Verzen onberijmd.


1-2






3






4-6









1-3








4-6







7-9








10-12













2-5













6-7











8-9












2-3










4-6









7-9












2-3





4





5-6a





6b-7





8





9





10





11





12-13







2-3a







3b-4






5-6






7-8






9-10






11









2-3








4-6








7-8








9-10








11-14








15-18








2




3




4




5-6




7-9




10






2-3




4




5




6




7




8-9




10




11




12




13




14-15




16




17




18




19




20




21







1-2






3-5a







5b-7








8-10







11-13







14-15







16-18









1-3







4-7







2-3




4-5




6




7




8-9







2-3





4-5





6






1





2-3






4





5-6





7







1-2





3






4





5







1-3






4






5-6






7-9






10-11









1-2









3-5








6-7








8-10








11-12








13-14






15






2-4









5-7








8-9








10-13








14-16








17-20








21-24








25-27








28-30








31-33








34-36








37-40








41-43








44-46








47-49








50-51












2-3











4-5b












5c-7












8-9












10-11













12-13













14-15











2-4








5-6








7







8-10









2-3






4






5






6-7






8






9-10






11-12






13-14









2-3








4-6








7-9








10-12








13-15








16-17








18-19








20-22







23-24









25








26-27








28-29








30-32









1b-3






4-5b






5c-6








1-2






3-4






5-6






7-8






9-10









1-3








4-5








6-7








8-9








10-11








12-13








14-15








16-17








18-19








20-22









1






2-3






4-5






6-8






9-10






11-12









1-2








3-4








5-6








7-10








11-12








13-14









1






2






3-4






5






6-7






8-9









1-2








3-4








5-6








7-9b








9c-11









2






3-4






5-6






7-8






9-11






12-13








2-3a






3b-4






5-6






7-8a






8b-9






10-11






12-13






14






15-16






17-18a






18b-19






20






21






22-23






24-25









1-4








5-6








7-9








10-11











1-3











4-6










7-9









10-12










13-15










16-19









20-22












2-4








5-6








7-8








9-11








12-15








16-18








19-20








21-22






23








1-3








4-6








7-8








9-10








11-12








13-14








15-17








18-21








22-24








25-26








27-28












2-5












6-9












10-13










1-3






4-6






7-9a






9b-11






12-15






16-17







18-20





21-22






23-24






25-26






27-29






30-33






34-36






37-40









2-3






4-5






6-7






8-9






10






11-12





13







14-16






17-18






19-20a






20b-21






22-23








2-3b






3c-5






6-7






8-10






11-12






13-14










2-3










4-5









6-7b










7c-9









10-11









12-13










14-16










17-18












2-4









5-7








8-10








11-13






14








2-3








4-5








6








7-8








9








10-11








12









1






2






3






4






5









2-3








4-5








10-13








10-13








14-17








18-20








21-24








24-27










2-3








4-7








8-10








11-13








14-16









17-18










2- 4








5- 6








7- 8








9-10








11-12











2- 5












6- 8












9-10














2- 4










5- 8










9










10-12










13-15










2- 5








6-10








11-13








14-15









16-18








19-21








1 3a






3b- 5






6 - 7






8 -10






11 -13






14 -15






16 -17






18-20






21






22-23










3- 5









6- 8







9-11








12-15









16-19







20-21








3-4






5-6






7






8-9






10






11








2





3-4




5





6





7









3-5









6-9








2- 4






4- 6






7- 9






10-12






13-15






16-17






18-19






20-22






23-24








2-3









4-6








7-8








9-10







11-13









14









2





3- 4





5- 6





7- 8





9-10





11-12







2- 3






4- 6






7- 8






9-10






11-12









2 5a








5b- 8








9 -11








12 -13








14 -16








17 -18










3- 5








6- 7








8- 9








10-12








13-14









2 3a






3b-4







5






6





7 -8






9








2- 3






4- 5







6- 7





8-9







10-11





12-13









2- 4








5- 7







8 -9








10-12










2- 3





4- 5





6





7





8-9





10-11








2 - 3








4 5b








5c- 6b








6c- 8









9








10 -11









12-13







14









2- 4









5- 7








8-10








11-12








13-15








16-18






19-20








2-3










4-5










6-8














2- 4











5- 7













8-11











12-15












16-17












18-19












20-21












22- 24












25-28












29-30












29-30












33-36












2-4









5- 7








8-13








14-16







17-20









21-24








25-28








29-30








31-34








35-37









2-4









5-6









1 - 2





3






4 5a







5b- 6






7 - 9






10 -11






12 -13






14 -15






16-17






18






19






20-21






22-23






24









1- 2








3- 4








5- 6








7- 8








9-10








11-12








13-14








15-16c








16d-17








18 -19










13a








3b-5








6-9








10 -12








13 -14








15 -17a








17b-20








21 -22







23 -24








25 -26








27 -28









1 - 2b




2c- 3




4 - 6




7 - 8




9




10 -11




12 -13a




13b-14




15




16 -17




18 -19a




19b-20




21




22-23






2






3-4






5-6






7- 8






9







10-11







2-4






5-6






7-9a






9b-11





12-13









2-3b









3c-4







5-7








8-9








10-11








12-13









14-15








16-17








18-19








20-21








1b-3a






3b-4






5-6a






6b-7b







7c-8






9-11







12-14





15-16






17-19






20-21






22-25






26-28






29-31






32-34






35-37





38-39






40-41






42-45







46-48






49-50






51-53






54-55






56-58






59-61





62-64







65-66






67-69






70-72









1-2









3-4












5-7










8-10b









10c-12







13






2






3-4







5-6






7-8






9-10






11-12






13-14






15-16






17-18






19-20







2






3-4






5-6b






6c-7






8






9-10






11a-b






11c






12-13







14






15





16






17










1b-2







3-5







6-8











2-4






5-6






7-9






10-12






13-15






16-17






18-19








2-3









4-5







6-8









9-11







12-13











2-4








5-8








9-10








11-14










1-2







3-5








6-7








8-9








10-11








12-13








14-15








16-17








1-2




3




4




5




6-7







2-4






5-6






7-8






9-10






11-13






14-16a






16b-17a






17b-19









2-3






4-6






7-9






10-12






13-15






16-17






18-19






20-21






22-26






27-29






30-35






36-38






39-41






42-44






45-46






47-50






51-53








1b-2






3-4






5-6






7-9






10






11-12






13-15






16-17









1-2








3-4








5-6








7-9a








9b-11








12-13








14-16










2-3








4-5








6-8








9-10








11








12








13-14







15-16









1-2




3-4




5







1-3






4-5






6-7






8-9






10-11






12-13






14-15






16-17






18-19






20-21






22-23








1-2






3-5






6-7






8-9






10-11









1-2





3-4





5-6





7-8





9-10b





10c-12





13








1-2










3-5










5-6








7-9








10-12











1-2








3-5









6-7






8-9











1-2








3-4








4-5








6








7








8








9








1b-2




3




4




5






1b-2b




2c-3




4-5b




5c-5d




6




7




8








2-4a








4b-6








7-8








9-12








13-14








15-17








81-19








20-21








22-23








24-25








26-27








28-29









1-3a






3b-5






6-9






10-12






13-14






15-16






17-18






19-20






21-22









1-4








5-9








10-13








14-15








16-18








19-23








24-26








27-30








31-32








33-35









1-3






4-6






7-8






9-11






12-13






14-15






16-18







19-22





23-25






26-28






29-31






32-33







34-35






36-38





39-41






42-43






44-45








1-2






3-4






5






6-7a






7b






8-9






10-12






13-15






16-18






19-21a






21b-22






23






24-25






26-27







28-31






32-33






34-36





37-39






40-43a






43b-45






46-47






48









1-3








4-5








6-7








8-9








10-12








13-14








15-16








17-18








19-20









21-22







23-26a








26b-27








28-30









31-32







33-36








37-40









41-43









2-4








5-7








8-9








10-12








13-14









1b-3






4-5






6-8






9-11






12-14b






14c-15






16







17-18





19-20






21-22






23-25






26-28b







28c-31







1b-d




2-3b




3c-d




4




5




6-7






1 -3a






3b- 5







6 - 8






9 -10







1 -3a






3b-4







5 -6






7 -9





10








1-3






4-6






7-9









1-2






3-4





5-6






7-8








1- 2






3- 4






5- 7







8- 9





10-11






12-13






14-16






17-18







1- 2




3- 4




5




6- 7




8- 9




10-11




12-13




14-15




16-17




18-19

















1- 4








5- 7








8-11








12-14








15-16









17-18








19-21








22-23








24-26








27-29









1- 2






3- 4






5- 6






7- 8






9-10






11-12






13-14






15-16






17-18






19-20






21-22






23-24






25-26






27-28






29-30






31-32






33-34






35-36






37-38






39-40






41-42






43-44






45-46






47-48






49-50






51-52






53-54






55-56






57-58






59-60






61-62






63-64






65-66






67-68






69-70






71-72






73-74






75-76






77-78






79-80






81-82






83-84






85-86






87-88






89-90






91-92






93-94






95-96






97-98






99-100






101-102






103-104






105-106






107-108






109-110






111-112






113-114






115-116






117-118






119-120






121-122






123-124






125-126






127-128






129-130






131-132






133-134






135-136






137-138






139-140






141-142






143-144






145-146






147-148






149-150






151-152






153-154






155-156






157-158






159-160






161-162






163-164






165-166






167-168






169-170






171-172






173-174






175-176









1-4








5-7









1b-2






3 -4






5 -6






7 -8









1b-3










4 -5










6 -9












1b-2








3 -4









1b-2





3 -5





6





7 -8







1b






2






3






4-5









1b-2








3 -4








5 -6









1






2






3-4






5









1b-2








3 -4








5 -6








1b-2




3 -4




5 -7a




7b-8








1b-2








3 -4









5 -6








7 -8







1b




2




3







1b- 2





3 5





6 7





8 9





10 -11





12





13 -14





15 -16





17





18







1b-2






3







1b-d




2




3







1- 2






3- 4






5- 6






7






8- 9






10-12






13-14






15-16






17-18






19-21







1




2- 3




4




5




6




7




8




9




10




11-12




13




14




15




16




17




18




19




20




21-22




23




24




25




26







1-2






3-4






5-6






7






8-9










1 -2b












2c-4












5 -6












7 -8












1b- 3






4 6






7 8






9 -10






11 -12






13 -14






15 -16






17-18






19-20






21-22






22-23







2 3




4




5 6




7 8a




8b- 9




10 -11a




11b-12




13 -14






1




2




3




4




5 -5c




5d-6




7




8




9




10






2b-3




4




5




6




7




8







1b- d





2





3 4





5 6





7





8





9 -10





11 -12








1b- 2








3 -6








7 8








9 -11








12 -13








14 -15










1b- 4








5 7








8 -11








12 -13








14 -17







18 -21









1 -2






3 -4






5






6






7 -8b






8c-9






10









1- 2








3- 6








7- 9








10-11








12-14








15-18








19-20










1- 3








4- 6








7-10








11-12








13-14










1-3








4-6








7-9










1-3








4-6








Einde

Gedigitaliseerd door fam. Hofman & Michel de Voogd